Een exclusief interview met de Amerikaanse succesauteur Jonathan Safran Foer. ‘Ik wilde iets schrijven dat betrouwbaar was, op het niveau waarop mensen werkelijk leven.’

Jonathan Safran Foer: ‘Het gaat om wat je doet’

‘Alle gelukkige ochtenden lijken op elkaar, net als alle ongelukkige’, staat er in Hier ben ik, de nieuwe roman van Jonathan Safran Foer. Deze zaterdagochtend is het pas een paar minuten over negen als de schrijver boekhandel BookCourt binnenstapt, in het gezelschap van zijn twee zoontjes. De jongens, 7 en 9 (‘en een half’) zijn vertrouwd in de winkel: ze pakken elk een boek van een plank en ploffen neer voor de kast. De boekhandel is een typische excursie voor de vroege zaterdagochtend; Foer woont een paar straten verderop in Boerum Hill, een zeer kind- en dierviendelijke (pet daycare, veel stepjes en een enkele bakfiets) buurt in Brooklyn. Hij vraagt zijn zoons te adviseren bij de aanschaf van een boek voor de kinderen van de toevallig aanwezige verslaggever. ‘Het Engels mag niet te ingewikkeld zijn. Die kinderen spreken natuurlijk alleen Deens’, legt hij zijn oudste zoon uit. Even later neemt hij afscheid. ‘Ik moet aan de overkant nog even wat boodschappen doen.’ De kinderen blijven achter in de winkel.

Het huiselijke tafereel zou zo in het leven passen van Jacob Bloch, de hoofdpersoon van Here I Am, de derde roman van Foer (1977), die deze week verschijnt in de Verenigde Staten en hier in vertaling. De langverwachte roman van Foer, die sinds het succes van Extremely Loud and Incredibly Close alleen het nonfictie-boek Eating Animals publiceerde. In tegenstelling tot zijn eerste twee romans, waarin de Holocaust en de aanslagen van 11 september 2001 een belangrijke rol speelden, is Here I Am een roman waarin het gezinsleven centraal staat – zie ook de knipoog naar Tolstoj in de opmerking over gelukkige en ongelukkige ochtenden.


Niet dat de actualiteit geen rol speelt in de roman, waarin Israël wordt getroffen door een kolossale aardbeving, waarna het land dadelijk door al zijn buren in een kolossale alliantie wordt aangevallen. Het stelt de Amerikaanse jood Jacob voor de vraag of hij Israël gewapenderhand moet gaan verdedigen, of thuis in Washington moet blijven bij zijn vrouw en drie zoons. Thuis raakt echter zijn ogenschijnlijk voorbeeldige huwelijk met Julia in een crisis na de vondst van een telefoon waarop hij scabreuze smsjes heeft uitgewisseld met een andere vrouw.

Foer geldt als een van de grote sterren van de hedendaagse literatuur, maar is op zijn negenendertigste nog steeds een jongensachtige verschijning. Al sinds zijn debuut Everything is llluminated (2002) is hij de boy wonder van de Amerikaanse literatuur; de opvolger van de joods-Amerikaanse reuzen Philip Roth en Saul Bellow. Bovendien werd hij voer voor de literaire society watchers in New York door zijn huwelijk met Nicole Krauss, de al even succesvolle auteur van De geschiedenis van de liefde. Drie jaar geleden ging het paar uit elkaar, waarna de buitenwereld zich verlustigde in speculaties over mogelijke buitenechtelijke relaties en nieuwe dates. Uiteindelijk werd zelfs verslag gedaan van de verdeling van het gezamenlijke onroerend goed.

Foer woont mooi, in een typisch New-Yorkse brownstone. Bij het begin van het interview, twee dagen vóór de ontmoeting in de boekhandel, neemt hij me mee naar het café op de hoek. Het leven plooit zich. „Nee, ik kom nu niet kijken, ik ga even weg”, zegt hij tegen het kind dat in de keuken iets wil laten zien. Binnen is het een beetje onrustig; een vaderleven plooit zich soms om de decibellen van zijn kinderen.

Here I Am liet lang op zich wachten. In The New Yorker zei Foer dat hij zich acht jaar lang helemaal aan zijn gezin en zijn kinderen had gewijd. „Tot op zekere hoogte is dat waar”, licht de schrijver toe. „Nu ja, het is helemaal waar maar het is niet de hele waarheid. Het schrijven van een roman is moeilijk, of het was moeilijk voor mij. Ik vond wel dingen die me bijvoorbeeld een halfjaar boeiden, maar niets waar ik lang genoeg in geïnteresseerd bleef voor een hele roman.”

En u bent vader.

„Het was een erg volle periode, dag na dag. Eén kind wordt te vroeg wakker, een ander kind te laat. Het ene kind wil dit voor zijn ontbijt, het andere dat. Muziek, huiswerk, honkbal, naar school. Als ik weer thuiskwam en aan mijn bureau zat, was ik uitgeput. Toen begreep ik dat ik het anders moest aanpakken. Ik was bezig geweest me te verzetten tegen al het lawaai om me heen. In plaats daarvan besloot ik het lawaai het verhaal in te brengen.”

Er wordt vrijwel onophoudelijk gepraat in het boek.

It’s very domestic. Ik wilde de details van het huiselijke leven vangen. In mijn andere boeken ging het meer om beelden en het grote gebaar. Dit gaat over mensen die de hele tijd in gesprek zijn.”

Wat was er eerder, het verhaal over Israël of dat over het gezin?

„Er was niet echt een begin. Toen ik ooit een boot huurde en ik de verhuurder vertelde dat ik geen knopen kon leggen, zei hij: if you don’t know how to tie knots, tie lots. Als je niet weet hoe je iets moet doen, doe het dan gewoon heel vaak. Zo werk ik ook. Ik had geen idee, motief, of karakter dat wachtte om naar buiten komen. Er waren een paar verhaallijnen. Ik had een [nooit uitgebrachte] televisieshow geschreven voor de zender HBO waarin een telefoon werd gevonden. En ik werd al een tijdje mentaal gekieteld door het idee van een aardbeving in het Midden-Oosten. Dat ben ik toen gaan uitzoeken, om te kijken hoe realistisch dat idee was. Vaak denk ik met een aantal verschillende dingen bezig te zijn, maar uiteindelijk blijkt het deel uit te maken van hetzelfde geheel. Tweeëneenhalf jaar geleden begreep ik hoe die dingen in elkaar pasten – het grootste deel van het boek heb ik het afgelopen jaar geschreven.”

Het fragment dat The New Yorker voorpubliceerde, ging over Israël, maar in het begeleidende interviewtje zei u dat de roman niet zozeer over Israël ging, maar over ‘thuis’.

Als je niet weet hoe je iets moet doen, doe het dan gewoon heel vaak

„Ik heb dat fragment niet gekozen, dat hebben zij gedaan. Ik wilde aanvankelijk een ander fragment, maar dat werkte niet zonder de context. Het voelde alsof het een verkeerd beeld van de roman gaf. Israël is een land waarvan zelfs de naam controversieel is en dan schrijf ik ook nog over de bijna-vernietiging ervan. Als je over bijvoorbeeld de bijna-vernietiging van Canada zou schrijven, zouden mensen het in de eerste plaats geestig vinden. En niemand zou zich afvragen of je de vernietiging van Canada werkelijk zou nastreven.”

Denken mensen dat bij Israël wel dan?

„Ik was bang dat het gezien zou worden als een soort college campus-betoog tegen Israël. Of juist als een oproep aan alle joden om naar Israël te gaan. In werkelijkheid is het geen van beide. Ik wilde dat lawaai laten horen, een koor van stemmen en argumenten.”

In de roman houdt een jonge rabbijn een begrafenistoespraak waarin hij stelt dat de joden zich moeten bevrijden van het dagboek van Anne Frank als hun ultieme boek. Ze moeten zich niet langer fixeren op ‘niet doodgaan’, maar op ‘rechtvaardig leven’.

„Dat is geen stelling waarmee ik het eens of oneens ben. De rabbijn heeft een ongenuanceerde visie, wat heel goed werkt in een roman. Sommige dingen die hij zegt zijn waar, of voelen als waar voor mij. Zoals de tegenstelling tussen overleven en slachtofferschap en overleven aan de ene kant en rechtvaardigheid en productiviteit aan de andere. Maar het is geen universele waarheid. Het kan wel een sterke manier zijn om na te denken over jodendom in Amerika in deze tijd, op een moment waarop de generatie van overlevers verdwijnt.”

De stelling dat alle buren van Israël dadelijk de aanval zouden kiezen als de kans krijgen, is scherp. Voelt u dat zo?

„Dat is geen gevoel, de geschiedenis suggereert dat zoiets zou kunnen gebeuren. Aan de andere kant: tijden veranderen en vrede vereist vertrouwen. Er is een bezettingsmentaliteit ontstaan, die moet aan beide kanten verdwijnen. Of Israëls buurlanden in zo’n situatie zouden aanvallen? Ik weet het niet. Hun retoriek suggereert het, maar retoriek is ook niet betrouwbaar.”

Foer zwijgt even. „Kijk naar Jacob in het boek, die twijfelt of hij naar Israël moet gaan. Het enige wat ertoe doet, is wat je uiteindelijk doet. Dat is een van de belangrijkste punten van het boek.”

Daar ontleent Hier ben ik zijn titel ook aan, die verwijst naar de woorden in het Oude Testament waarmee Abraham zich bereid verklaard om zijn zoon te offeren. Zoals de naam van de hoofdpersoon verwijst naar Abrahams kleinzoon, die het eerstegeboorterecht van zijn broer Esau inpikte door zich als hem te vermommen – door niet zichzelf te zijn, door er niet te zijn.

„Het verschil tussen zeggen en doen is belangrijk in het boek”, gaat Foer verder. „De smsjes die Jacob aan een andere vrouw stuurt: is dat een kwestie van zeggen of doen? Jakob zegt: er is een groot verschil tussen iets schrijven en iets doen. Julia zegt: het maakt niet uit. Iets vergelijkbaars geldt voor de vraag of Jacob naar Israël moet gaan. Er is veel wat we zouden moeten doen, maat niet kunnen. Zoals evenveel waarde hechten aan elk kind als aan je eigen kind. Kunnen we dat? De karakters worstelen met het verschil tussen wat ze moeten doen en wat ze kunnen doen. Om dat verschil draait het boek. En om de vraag of ze voor die verschillen vergeven moeten worden.”

Jacob kan zijn huwelijk niet redden en hij is ook niet in staat tot overspel.

„En Julia haat hem erom. Het is zijn onvermogen om welke persoon dan ook te zijn. Op een gegeven moment zegt ze: ik heb alle muren om je heen afgebroken, maar aan de binnenkant zit niets.”

Is dat een persoonlijk probleem of een maatschappelijk probleem? Zijn we, met verschillende rollen in verschillende werelden, nog wel in staat om er echt te zijn?

„Er zijn redenen waarom Jacob er in het boek problemen mee heeft om er echt te zijn, op één plaats. Aan de andere kant heb ik nooit een persoon ontmoet die werkelijk een eenheid was, die altijd en met iedereen hetzelfde is. Je kunt niet de ideale vader en de ideale professional zijn. Bent u in de eerste plaats journalist of vader? Is Israël uiteindelijk onmisbaar voor mij, of niet? Die vragen hoef je normaal gesproken niet te beantwoorden. Tot er een crisis ontstaat. Dan is het onmogelijk om niet te kiezen, dat maakte het thrilling.”

Deze roman zal ook gelezen worden als de grote echtscheidingsroman van Jonathan Safran Foer.

„Ik vind het niet erg als mensen dat zeggen. Het is een natuurlijk instinct om je af te vragen wat er autobiografisch is aan een boek. Normaal gesproken zijn dat soort gedachten snel weg. Als ze blijven, dan interesseert het boek je waarschijnlijk niet genoeg. Aanvankelijk wilde ik voor de voorpublicatie de scènes gebruiken waarin Jacob en Julia samen teruggaan naar een hotel waar ze tien jaar eerder gelukkig zijn geweest.”

U analyseert heel precies hoe de verhouding tussen Jacob en Julia werkt, hoe het misging en hoe dichtbij de oplossing soms is. Je gaat je bijna afvragen hoe iemand die alles zo goed doorgrondt, zijn eigen huwelijk toch kan zien stranden.

„Soms leer je dingen na de feiten. Kijk naar de opvoeding van kinderen. Je leert de meeste lessen te laat om ze toe te passen. En ook: er is een vorm van leren die verlies nodig heeft. Bovendien zijn er dingen die je wel weet als schrijver, maar niet als persoon. Een vriend van mij is een uitgesproken goede schrijver. Hij schrijft psychologisch gezien geweldige romans, maar in zijn persoonlijk leven maakt hij fouten die hij zijn romanfiguren nooit zou toestaan.”

Werd u verrast door wat u zelf over het huwelijk schreef?

„Dat ben ik altijd, maar in dit geval zeker.”

Geeft u eens een voorbeeld.

„Hoe warm ik over het huwelijk schrijf. Een vriendin van 75 bedankte me ervoor dat ik Julia, de echtgenote in het boek, zo sterk had gemaakt. That was not the obvious thing to do, zei ze. De dierbaarste scènes zijn voor mij die van het bedritueel. Julia doet een bepaalde lotion op haar voorhoofd, Jacob doet dit, zij doet weer dat. Ik wilde daar heel geduldig doorheen lopen, met tijd, aandacht en precisie. Het kreeg voor mij haast religieuze trekken; ik wilde de realiteit van de ervaring vastleggen.”

Ik dacht bij het lezen van die scènes alleen maar: wat ben ik blij dat ik niet een van die mensen ben.

„Hoezo?”

Wat u daar beschrijft, hoe ze naast elkaar, maar elk bij hun eigen wasbak bezig zijn met hun avondrituelen, is heel intiem – maar tegelijkertijd zijn ze daar allebei verschrikkelijk alleen.

„Later liggen ze in bed en kunnen ze elkaar niet aanraken, ze hoeven hun hand maar uit te steken. Dat vond ik heel erg droevige passages.” Foer neemt een slokje koffie. „Vijf jaar geleden had ik gedacht dat zulke dingen niets met literatuur te maken hadden, dat ze bourgeois waren, dat ze het verhaal ontoegankelijk zouden maken, of gewoon te huiselijk. Maar in dit boek werd ik er naartoe getrokken. Het voelde authentiek. Niet manipulatief. Ik denk dat ik een enorme weerzin heb opgebouwd tegen charmingness in boeken – en in mijn eigen boeken. Ik wilde iets schrijven dat betrouwbaar was, op het niveau waarop mensen werkelijk leven.”

Betekent dat dat u zich minder op de verwachtingen van uw lezers wilde richten.

„Misschien. Veel gebeurt bij mij op het niveau van instincten en intuïties. Ik weet dat dit boek heel anders voelt dan mijn eerdere romans. Ik was geïnteresseerd in ruzies, in dialogen. Ik wilde mezelf wat terugtrekken, de lelijkheid van dingen laten zien.”

Bij uw eerste boeken leek u wel eens te willen roepen: kijk eens hoe slim ik ben, of misschien wel: Papa, kijk eens hoe slim ik ben!

„Zo voelde ik het toen in elk geval niet.”

Hoe voelt het nu?

„Ik was destijds veel meer gegrepen door de exuberantie, de romantiek van het schrijven, de grootsheid ervan.” Foer pauzeert. „En nu… het is niet minder ambitieus, maar ambitieus op een andere manier. Ik wilde het authentiek laten voelen. Ik weet niet precies wat dat betekent, maar dat woord zat in mijn hoofd. Het leven zoals het op de grond wordt geleefd. De andere boeken waren meer losgezongen, up in the air. Nu kun je de grond ruiken.”

Is deze roman dan uw Abraham-moment? Het moment waarop iemand zegt: hier ben ik, hier ben ik helemaal?

„Niet meer dan in andere boeken. Het zijn allemaal zelfportretten uit een periode van mijn leven. Ik had dit boek niet eerder kunnen schrijven, maar ook niet later. In alle stadia, ook nu, is het heel persoonlijk. Een boek publiceren betekent erover praten in het openbaar. Niet per se om het te verdedigen, maar om te vertellen over hoe het boek tot stand is gekomen.

„Als er een Here I Am-aspect is, is het voor mezelf. Ik ben niet zo geïnteresseerd in boeken die met een doel, een plan of een boodschap zijn geschreven. Dan kun je alleen je eigen plan uitvoeren, ik laat het liever open. Als je dat doet, zullen er altijd dingen van binnen het boek in komen – en dingen van buiten. Dan ontstaat een mengsel waarvan niet altijd eenvoudig te bepalen is wat dat is. Zelfs niet voor mij.”

Ergens in de roman wordt, naar aanleiding van de films van Steven Spielberg, gesproken over ‘geraakt worden’ als de ultieme esthetische en ethische ervaring. Geldt dat ook voor uw eigen werk?

„De Poolse dichter Zbigniew Herbert schreef dat de verbeelding het instrument van de compassie is. Verhalen vertellen, iemand uitnodigen om te delen in wat jij vindt, veroorzaakt compassie. Dat gezegd hebbende, kan gevoel heel makkelijk gemanipuleerd worden. Kijk naar wat er in de bioscoop gebeurt als de strijkers aanzwellen. Het is makkelijk om mensen aan het huilen te maken.

„Toen ik jonger was, voelde emotie misschien meer als de ultieme gewaarwording. Dat is niet meer zo. Ik denk wel nog steeds dat iemand raken de ultieme esthetische ervaring is, maar dat hoeft niet op emotioneel vlak te zijn. Het kan ook intellectueel zijn: door mensen mee te nemen naar een plaats die anders is dan waar ze van vertrokken. Ik zoek naar een transformatieve ervaring.”

Dat geldt ook voor de personages in het boek. Al blijft er uiteindelijk best veel hetzelfde.

„Dat is de ironie. Aan het slot zegt Jacob dat hij klaar is: Here I Am. Maar de vraag is natuurlijk of we hem moeten geloven.”