‘De natuur is toch veel mooier dan een schilderij’

Bioloog De Vlaamse bioloog en journalist Dirk Draulans schrijft met aanstekelijk enthousiasme over de natuur, ruziet met ministers en ambtenaren over hun beleid en verbergt nimmer zijn liefde voor vrouwen.

Foto Boaz Timmermans

Turend in een telescoop staat aan de rand van een polderstraatje de natuurjournalist Dirk Draulans, naar eigen zeggen „de Midas Dekkers van Vlaanderen”. In de verte de hoge kranen langs de Schelde van de haven van Antwerpen en de koeltorens van de kerncentrale in Doel. Dichterbij, op enkele honderden meters, een waterrijke polder met, als in een dierentuin, meteen al prachtige observaties. Zilverreigers. Lepelaars. Aalscholvers.

Sinds zijn vroege jeugd is Draulans een gepassioneerd natuurvorser. „Hoe dat is gekomen weet ik niet”, vertelt hij. „Mijn grootvader verzamelde chrysanten en woonde naast mijn ouders, dat was het enige. Ik vat mijn liefde voor de natuur meestal maar op als een genetische afwijking.”

Ook toen hij als journalist oorlogsreportages schreef, deed hij bijzondere waarnemingen. „Ik raakte verzeild bij Servische soldaten die zich hadden verschanst in een zandput, van waaruit ze elk half uur een kanonschot afvuurden op een Kroatisch stadje, bij wijze van terreur. Aan de achterkant van de zandput ontdekte ik toen tien nesten van bijeneters. Dat was fantastisch, ik heb er uren doorgebracht.”

Eén keer, vertelt hij, is hij bang geweest dat de passie voor natuur hem in de steek zou laten. „Ik was op reportage over het tropisch regenwoud in Brazilië, zag een ara vliegen en ontdekte dat ik mijn verrekijker was vergeten. Toen dacht ik: oei, het zal me toch niet ontglippen.”

Dagelijks zit Draulans in zijn gehuurde boerderijtje urenlang te kijken naar vogels, en struint hij door de polders op de grens met Nederland, met uitzicht op onder meer de Hedwigepolder, het 300 hectare stuk boerenland dat vermoedelijk binnen een jaar onder water wordt gezet, na tien jaar geruzie en gekonkel, om een grensoverschrijdend intergetijdengebied langs de Schelde te vormen. „Daar kijk ik naar uit”, zegt Draulans. „Ik droom ervan vanuit mijn boerderij naar Nederland te fietsen en te genieten van deze nieuwe natuur.”

We wandelen over een wild begroeid pad langs een oude dijk, nu eens begoten door een malse regenbui en dan weer beschenen door een felle, warme zon. Honderduit vertelt Draulans, zichzelf en zijn gezelschap af en toe onderbrekend door het statief op zijn schouder neer te zetten, de verrekijker erop te plaatsen en te wijzen op een gele kwikstaart of een roodborsttapuit. Hij drentelt naar een houten scherm op de dijk, waarachter een mooi uitzicht over de Doelpolder-Noord, en de vele vogels die zich daar doorgaans verzamelen.

In de verte ligt de Hedwigepolder, en het Verdronken Land van Saeftinghe. „Hier sta ik vaak”, vertelt Draulans. „Het is een plek om tot rust te komen. Om na te denken over problemen op mijn werk. Over mijn drie kinderen, bijvoorbeeld als ze het niet goed doen op school. Over mijzelf.”

In extase van wat blauwborsten

Draulans schrijft wekelijks over natuur, en twee maanden geleden verscheen zijn natuurdagboek In de Putten, waarin hij verslag doet van zijn waarnemingen maar ook het debat niet schuwt en onder anderen de Vlaamse minister voor omgeving, natuur en landbouw, Joke Schauvliege, de wind van voren geeft. Hij tekent haar als „een miscast” en als „een minister zonder visie, zonder ambitie, zonder interesse in natuur en milieu”, alsmede als „een doordeweekse juriste die door de wilde kronkels van het toeval boven haar gewichtsklasse moest gaan vechten”. Smalend noemt hij de minister „Hare Hoogheid”.

De aanvallen weerhielden minister Schauvliege er niet van, de presentatie van Draulans’ natuurboek met haar aanwezigheid op te luisteren. Ze gebruikte haar speech om te wijzen op de goede daden die zij voor de natuur had verricht, en dankte Draulans dat zij op deze wijze weer in contact kon komen met haar „groene jongens” met wie de relatie enigszins „vertroebeld” was geraakt. „Hij heeft de 165 centimeter hoogheid die voor u staat, opnieuw in contact gebracht met wat eigenlijk haar natuurlijke achterban zou moeten zijn.”

Draulans kan er niet mee lachen, vertelt hij. „Zij doet alleen iets voor de natuur als het echt niet anders kan, als het van Europa moet, of als er natuur moet worden gecompenseerd voor de uitbreiding van de haven. Ik zou willen dat ze ‘zomaar’ iets voor de natuur doet, omwille van de natuur zelf.”

Zijn dikke boek bevat observaties uit de rijke natuur, maar ook herinneringen aan menselijke ontmoetingen, waarbij de liefde voor vrouwelijk schoon nooit ver weg is. Zijn buurvrouw Monique is „een weduwe die wat mij betreft kandidaat zou mogen zijn voor de verkiezing van de schoonste boerin van Vlaanderen”. Hij wandelt met zijn vriendin die „sexy gekleed in een rood jurkje boven blote benen, opwindend”, en in „rode lingerie” in lichte extase geraakt bij het zien van enkele blauwborsten.

Het roepen van grutto’s doet hem denken aan „overweldigende liefdesscènes” met een voormalige vriendin, niet te verwarren met een andere geliefde die hij „mijn slechtvalkvriendin” is gaan noemen, „omdat ze eens intens klaarkwam terwijl ik vanuit het slaapkamerraam naar een majestueuze slechtvalk op een weidepaal stond te kijken”.

Het boek werd onlangs in Nederland genomineerd voor de Jan Wolkers Prijs voor het beste natuurboek van het jaar, samen met vijftien andere boeken, waaronder Dit is mijn hof van boerenzoon Chris De Stoop, óók uit deze streek afkomstig. Draulans heeft er geen goed woord voor over. „Hij schetst de valse nostalgie van het boerenleven. Hij schrijft over boomgaarden en korenvelden die niet meer bestaan. Het boek wordt geklasseerd als literaire non-fictie. Wel, het is gewoon fictie.”

Zonder natuur geen mens

Tien jaar geleden kwam Draulans min of meer toevallig hier wonen. Hij kon een boerderijtje huren van de moeder van een collega. Hij heeft zich in deze jaren kunnen vermeien met de weelderige natuur, maar heeft zich ook de woede van omwonenden op de hals gehaald. „Ik ben hier de grote vijand van de boeren”, zegt hij. „Ik word regelmatig uitgescholden. Gisteren nog. Ik was op de fiets en een boer roept naar mij ‘Ik sla u op uwen bek’.” Veel boeren kunnen net als in Nederland het bloed van de natuurjongens wel drinken. Ze duiden het Draulans persoonlijk euvel dat hun land in dit geïndustrialiseerde stukje Vlaanderen plaats moet maken voor ‘nieuwe natuur’, die overheden laten inrichten als compensatie voor de uitbreiding van de Antwerpse haven. „Boeren willen wel uitwijken voor industrie maar niet voor natuur.”

De regen gutst over Draulans’ zomerjack. Hij spreekt geroutineerd, als in een collegezaal voor studenten. „De natuur wordt altijd gezien als iets wat de mens in de weg staat”, signaleert hij. Een kortzichtig standpunt. Zonder de natuur kan de mens niet overleven. Het is juist in het belang van de mens dat hij de natuur niet vernietigt. Zoals het ook in het belang van de mens is om de Hedwigepolder in Nederland onder water te zetten, zodat het estuarium van de Schelde weer wat meer natuur terug krijgt en er niet eindeloos vaak hoeft te worden gebaggerd om de vaargeul voor almaar reusachtiger containerschepen op diepte te houden. Zeker, de zogenoemde nieuwe natuur is niet altijd authentiek. „Maar de vogels vinden het prachtig, hoor.”

Draulans’ activisme werd gewekt op de dag dat hij, „een jonge snaak nog”, een vergadering bijwoonde op een ministerieel kabinet, waar hij als jonge onderzoeker probeerde uit te leggen dat het verdelgen van de blauwe reiger weinig effect zou hebben op de visstand, aangezien de blauwe reiger vooral zieke en oude vissen eet. Tijdens de vergadering werd zijn standpunt omver geblazen door de machtige lobby van de vissers. „De vissers vonden gewoon dat elke vis die een reiger at, er een te veel was. Ik heb dat schokkend gevonden. De vissers luisterden niet naar de wetenschap, zoals er heel vaak niet naar wetenschappers wordt geluisterd.”

Op z’n best is Dirk Draulans in zijn dagboek als hij het leven beschrijft van een dier, als het ware bezien vanuit het perspectief van het dier zelf. Zoals de mol, waarvan het ondergrondse leven uitgebreid wordt beschreven. „Ik heb me in het verleden regelmatig verzet tegen pogingen om mollen in een tuin te verdelgen”, schrijft hij.

Hij heeft er lange discussies over gevoerd met zijn vorige vaste vriendin, een bekende mode-ontwerpster. „Zij wilde geen molshopen in de tuin. Zij wilde een kaal gazon.” In het algemeen hield de vrouw niet erg van de natuur. „Zij hield van musea en theaters. Dat kan ik begrijpen. Maar soms stonden we in een museum naar een schilderij te kijken en moest ik zeggen: de natuur is toch veel mooier dan dit schilderij?”