Verwisseling bij geboorte

Welke schade lijdt iemand door het nieuws dat hij ruim zestig jaar geleden bij zijn geboorte in het ziekenhuis is verwisseld met een ander? En moet die schade zo zwaar wegen, dat de absolute verjaringsregel voor vorderingen na dertig jaar niet geldt wegens onredelijkheid en onbillijkheid? Zodat het ziekenhuis van toen alsnog de klap financieel moet verzachten?

De rechtbank Zeeland-West Brabant sprak er zich deze zomer over uit. De gedupeerde was er in 2013 door toeval achtergekomen dat zijn familie zijn familie niet was. Hij had het ziekenhuis van toen aansprakelijk gesteld, vanwege de „traumatische” gevolgen. Het ziekenhuis bood hem uit coulance een ‘weekendje uit’ ter waarde van 500 euro aan, maar wees aansprakelijkheid af.

Verjaring moet onder meer voorkomen dat decennia later bedrijven of burgers rekening moeten houden met al lang vergeten kwesties waaruit nog financiële verplichtingen kunnen komen. De Hoge Raad formuleerde zeven criteria voor het eventueel tóch doorbreken van de verjaring.

Aan de hand van deze voorwaarden oordeelt de rechtbank dat de verjaring in stand blijft. Het ziekenhuis krijgt gelijk. Van de zeven criteria is er maar één op de eiser van toepassing – hij kan zijn vordering nergens anders indienen dan bij het ziekenhuis. Maar dat weegt niet op tegen het belang van rechtszekerheid. De man verliest en moet de proceskosten (1.500 euro) van het ziekenhuis betalen.

www.rechtspraak.nl: ECLI:NL:RBZWB:2016:4068