Zoektocht door de chaos van Libië

‘Ga nooit de concurrentie aan met Libië. Dat verlies je.’ Met deze strenge woorden onderstreepte Jaballa Matar, de vader van schrijver Hisham Matar hoezeer de oppositie tegen het regime van Moammar Gaddafi (1942-2011) een obsessie was geworden. De prijs die daarvoor werd betaald was hoog.

Jaballa, leefde in ballingschap in Kaïro waar hij een fortuin verdiende als zakenman, dat hij inzette om een uitgebreid oppositienetwerk te financieren. In 1990 werd hij in Kaïro ontvoerd en aan Libië uitgeleverd. Matar was negentien toen zijn vader verdween. Sindsdien ontbreekt elk spoor van hem – op een paar uit de gevangenis gesmokkelde brieven en cassettebandjes na.

Ontroerend zijn de passages in De terugkeer over het weerzien van de schrijver met zijn familie in Libië, na de val van het regime. Beschrijvingen van de diners, die zijn ouders vroeger gaven in Kaïro, en de familie-bijeenkomsten in post-Gaddafi Libië, onderstrepen het belang van de warme en loyale familiebanden.

De verhalen van neven en ooms die soms decennia doorbrachten onder de meest erbarmelijke omstandigheden in de beruchte Abu Salim gevangenis in Tripoli blijven lang hangen, dankzij Matars precieze stijl, gevoel voor detail en vermogen om beelden en sferen op te roepen. Zoals bij het verlaten van het vliegtuig: ‘de bekende geuren in de lucht als een deken waarvan je niet wist dat je hem nodig had’.

Reflecties over ballingschap worden afgewisseld met de spannend opgetekende zoektocht naar wat er is gebeurd met zijn vader. Matar voegt daar persoonlijke bespiegelingen aan toe over het volwassen worden zonder vader. Er is een zeker continuüm te ontwaren in de vader-zoonrelatie, tussen Jaballa en Matars grootvader die streed tegen de Italiaanse koloniale bezetter, en die tussen Matar en zijn eigen vader. De onzekerheid over diens lot en het niet kunnen beschikken over een lichaam dat ter aarde kan worden gesteld vormen een rode draad in De terugkeer.

In zijn worsteling zoekt Matar zijn heil in de kunst. Met haast religieuze devotie brengt hij bezoeken aan musea. Wat hem ook op de been houdt is een citaat uit het werk van zijn vader: ‘work and survive’. En het idee dat zijn vader zich wel door de ontberingen zal hebben heengeslagen door poëzie en de Koran te lezen.

Via druk op de internationale publieke opinie poogt Matar intussen campagne te voeren om meer te weten te komen over wat er is gebeurd met zijn vader en om gevangenen vrij te krijgen. Hij voert daartoe zelfs gesprekken met leden van het regime, al vallen die hem erg zwaar.

De interactie met Gaddafi’s tweede zoon, Seif, geven een inkijkje in hoe het regime opereerde. Seif, de ‘hervormer’, werd door een deel van het Britse (politieke) establishment, onder leiding van Tony Blair, vertroeteld om zodoende de Britse belangen veilig te stellen. Het ging de Britten om olie, de war on terror en om het tegenhouden van de migratiestroom.

Met De terugkeer heeft Matar een aangrijpend boek afgeleverd, juist door het persoonlijke element te verweven met de recente geschiedenis van Libië. De huidige chaos daar verhindert Matar wederom om terug te keren.