Verslaving

0610CULellen1

Mijn neefje van elf heeft afgelopen maand ontdekt dat hij sterfelijk is. Natuurlijk was hij al langer van de dood op de hoogte: twee zomers geleden stierf zijn overgrootmoeder. Hij was toen vooral geïnteresseerd in de praktische aspecten: kon ze hem nu altijd zien, moesten we geen paraplu boven het graf houden als het regende, enzovoort. Sinds kort heeft hij door dat hij zelf ook dood kan, en dat is zo catastrofaal voor zijn nachtrust dat de dokter hem afgelopen week zelfs slaappilletjes heeft voorgeschreven.

Ik was even oud als hij toen ik die angsten kreeg. Op mijn zeventiende werd het zo erg dat ik een vakantiebaantje regelde op de begraafplaats van Borne. Bankjes schilderen, heggen snoeien, grasmaaien. Ik raakte gewend aan de kisten, aan de kuilen. Bovendien was het lekker om hele dagen in de open lucht te werken („Wat zie je er gezond uit!” zeiden mijn vriendinnen). Ik werd niet zozeer minder bang voor de dood, maar ik raakte er wel vertrouwd mee. Ik was blij met de tijd die ik had, vergeleken met de mensen van wie ik de grafstenen schoonveegde. Sindsdien vind ik sterven soms zelfs een prettig vooruitzicht: geen fysiek ongemak meer (migraine is inmiddels een huisvriend), nooit meer liefdesgedoe, geen belastingaanslagen meer. Natuurlijk ben ik blij dat ik leef – ik geef mijn bestaan op het moment van schrijven makkelijk vier sterren – maar ik ben ook niet bang voor het einde.

Zeg dat maar tegen iemand van elf, die net zijn eerste zoen heeft gehad, dolfijntrainer wil worden en voor wie de toekomst geen afstreeplijst van verplichtingen maar een glitterschaal vol KinderSurprise-eieren is. En die vanwege de Wet op kinderarbeid nog lang niet op een begraafplaats aan de slag kan.

Afgelopen weekend logeerde hij bij mij. „Gaat het?” vroeg ik, toen ik hem instopte.

„Waarom moeten we dood?” piepte hij. „Waarom al die moeite, leren lezen, school, oorlog, als het toch stopt?”

Ik moest denken aan Discworld, de serie fantasy-boeken van Terry Pratchett. Daar zegt iemand op een gegeven moment dat hij op zich niet bang is voor de dood, maar dat het leven een gewoonte is waar je zo makkelijk gehecht aan raakt.’

„Misschien is leven een soort verslaving”, zuchtte mijn neefje toen ik hem dit vertelde. „Maar het lijkt me nou niet iets waarmee je moet stoppen omdat het slecht is voor je gezondheid.” Ik knuffelde hem. Zijn lichaam zou, als alles meezat, nog heel wat langer meegaan dan het mijne. Ik voelde hoe zijn hart roffelde uit angst het op een gegeven moment niet meer te doen. Ik voelde mijn eigen hart. Het klopte. Nog steeds.

Ellen Deckwitz heeft op deze plek een wisselcolumn met Marcel van Roosmalen.