Mijn zwagers in Venezuela bleken kilo’s afgevallen

De correspondent

Op familiebezoek in de Venezolaanse stad Barquisimeto dringt door hoe nijpend de tekorten zijn waar de bevolking elke dag mee kampt.

Van Venezolaanse graven worden grafstenen gestolen. Het marmer wordt gebruikt als aanrecht.

‘Welkom, zwager! Mooi dat je gekomen bent. Weet wel dat we hier in staat van oorlog zijn.” Het waren de eerste woorden van Oscar Torres, toen ik deze zomer de aankomsthal van het vliegveld Jacinta Lara in de Venezolaanse stad Barquisimeto binnenliep. Bekend terrein voor mij. Ik landde daar in 1989 voor het eerst en begon er nu voor de 26ste keer op rij aan mijn zomervakantie. Voor het eerst wel met enige twijfel vooraf. Na een maand begreep ik precies wat Oscar bedoelde.

Voor het eerst zag ik dat mijn zwagers en schoonzussen in een jaar tijd vrijwel allemaal kilo’s lichter waren geworden. Pure armoede. De lunch, die voorheen heilig was, wordt nu doorgaans overgeslagen. Net als vele miljoenen andere Venezolanen eten ze nog maar hooguit twee keer per dag een karige maaltijd. Een stuk vlees is een luxeproduct geworden. De Coca-Cola is caloriearm omdat de suikerproductie is stilgevallen. Zelfs een bakker met brood – doorgaans een Portugees – is een zeldzaamheid geworden. De apotheker verkoopt water en chips in plaats van medicijnen.

Internet is een martelgang

Vrijwel alle zekerheden zijn weggevallen in het Zuid-Amerikaanse land. Je weet nooit zeker of het licht zal aangaan als je op het knopje op de muur drukt. Dat er stromend water uit de kraan komt, is evenmin vanzelfsprekend. Meer dan eens keek ik deze zomer al zwetend naar een droge douchekop. Troost zoeken op internet is met wankele verbindingen een martelgang. En wie naar de supermarkt gaat, weet vooraf nooit waarmee hij terugkomt. Boodschappen doen is een dagtaak geworden. Eten is er op de bon. Mensen staan uren in de rij voor een pak maïsmeel, een potje mayonaise of een zakje zwarte bonen.

Wie niet wil wachten is aangewezen op de zwarte markt. Voor woekerprijzen is bijna alles nog wel te koop. Een doos eieren voor 3 euro. Een zak rijst: 2,50 euro. Een krat bier voor 10 euro. Voor mij allemaal nog wel te doen, maar niet voor de gemiddelde Venezolaanse arbeider, die het moet doen met 60 euro in de maand. Nooit was de tweedeling zo groot als nu. De voormalige middenklasse is geëmigreerd of verpauperd. Tussen rijk en arm zit vrijwel niets meer.

25 euro voor ’n grote pot Nutella

De Bolivariaanse revolutie van Hugo Chávez en Nicolás Maduro heeft Venezuela aan de rand van de afgrond gebracht. Ook mijn schoonfamilie geloofde ooit in een nieuw Venezuela waarbij het oliegeld eerlijker verdeeld zou worden. Ze weten nu wel beter. Van socialisme is nooit sprake geweest in Venezuela. Meer dan ooit worden de prijzen door de markt bepaald. Zo kost een grote pot Nutella op het vliegveld van Caracas 25.500 bolívar – omgerekend circa 25 euro. Onvoorstelbaar, maar ze worden ervoor verkocht.

Wie met een pot Nutella, een iPhone of een paar merkschoenen over straat loopt, riskeert zijn leven in een land waar dagelijks tachtig mensen door geweld om het leven komen. Zelfs de kerkhoven zijn niet veilig. Het graf van mijn schoonouders heb ik nooit kunnen bezoeken. Te gevaarlijk. Op de gemeentelijke begraafplaats van Barquisimeto worden grafstenen massaal gestolen. Het marmer wordt gebruik als aanrecht voor in de keuken. Zelfs lijkkisten worden opgegraven, leeggegooid en verpatst.

Vlak voordat ik Venezuela weer verliet, klampte een van mijn zwagers me aan. „Schrijf alsjeblieft op hoe erg het in Venezuela is. Zeg dat het oorlog is.” „Zal ik doen”, antwoordde ik. „Hopelijk is het volgend jaar wat vrediger.”