Mijlenver uit elkaar

Flessenpost uit de VS

Schrijfster Pia de Jong woont met haar gezin in Princeton, in de VS. Ze schrijft wekelijks over wat haar daar opvalt.

Illustratie Eliane Gerrits

Mijn idealistische ouders haalden toen mijn broers en ik jong waren, regelmatig een kind uit een ander land in huis, om ons aan andere culturen bloot te stellen. De uitwisselingsorganisatie had ons Maria uit Argentinië gestuurd, met wie we heftige discussies voerden over politiek en Lev uit Polen, die me deed inzien dat wiskunde iets was om begeesterd over te kunnen raken.

Rond mijn veertiende verjaardag stond de zestienjarige Isabel, een blonde versie van Janis Joplin, met een gitaar op de stoep. Deze Parisienne had de organisatie op de mouw gespeld dat ze geïnteresseerd was in de cultuur van Nederland. In werkelijkheid was ze op de vlucht voor een misbruikende vader en een alcoholische moeder.

De avondmaaltijden ontaardden al snel in geruzie. Vooral op mijn vader had Isabel het gemunt. Ze hield zich niet aan de regels, stal geld voor drugs en was op een dag zonder verdere uitleg verdwenen, al haar spullen liet ze achter. Mijn ouders waren doodongerust en schakelden de politie in, maar geen spoor van Isabel.

Ten einde raad laadden mijn ouders ons en de achtergebleven schamele spullen van Isabel in onze Citroën Ami 8 en vertrokken we naar Parijs. Haar gitaar tussen ons kinderen op de achterbank.

Ik zie ons nog in het donker rijden door de louche buitenwijk, op zoek naar het adres dat Isabel had opgegeven. Aldaar deed na herhaaldelijk aanbellen een onvriendelijke man open, gekleed in een smoezelig hemd. Hij bekte mijn vader af, en keurde ons geen blik waardig. De spullen konden we in de gang zetten. De ramen van het appartement waren bedekt met kranten, evenals de vloer. Het stonk er. Van Isabel geen spoor. Toen hij de deur dichtkwakte, hoorde ik haar gitaar omvallen.

Ik had een les over andere culturen geleerd. Niet over de boeiende architectuur van Parijs, de mooie Franse taal en de prachtige kunst, maar over armoede en sociale ongelijkheid.

Aan Isabel denk ik als ik deze zomer bij Amerikaanse vrienden ben, die via een ideële organisatie elk jaar een kansarm kind een fijne vakantie bezorgen. Al sinds zijn vijfde komt Innocent bij hen over de vloer. Een kind uit een achterstandsgezin in New York, met alle clichés die daarbij horen. Hij is arm, zit op een slechte school, heeft een oudere broer in het gevang en een zusje dat hem op haar veertiende oom maakte.

De schuchtere puber zit aan tafel met de even oude zoons van mijn vriendin, goed gebekte jongens die zomers zeilinstructie geven op hun eigen catamaran. Innocent gaat niet mee, want hoewel zijn gastouders elk jaar een privéleraar in huis haalden om hem les te geven, kan hij nog steeds niet zwemmen.

De broers bereiden de volgende lesdag voor, terwijl Innocent wat verveeld zit te prutsen met een mobieltje.

„Toen ze klein waren, speelden ze nog met elkaar”, zegt mijn vriendin. Ze laat me een foto zien van twee blonde jongetjes en een zwarte krullenbol in een klimrek. „Maar nu laten ze elkaar links liggen. Dit zal de laatste keer zijn dat hij komt. Ik ben de enige die op Innocent gesteld is.”

Ze gaat naast hem zitten en vraagt of hij een spelletje wil spelen. Dankbaar gaat hij daarop in. Haar bedoeling was Innocent fijne zomers te bezorgen en haar eigen zoons te doen inzien dat niet iedereen in zo’n bevoorrechte positie zit als zij.

Maar net als met mij en Isabel uit Frankrijk liggen de werelden van deze veertienjarigen al mijlenver uit elkaar.

Reacties via pdejong@ias.edu