Eén Elsschot

Sint-Idesbald is een van de zuidelijkste badplaatsen van België, dichtbij de Franse grens. Je kunt er komen met dat handige kusttrammetje dat tussen De Panne in het zuiden en Knokke in het noorden loopt. Ik wilde er om twee redenen heen: de schrijver Willem Elsschot en de schilder Paul Delvaux.

Toen ik uitstapte zag ik minder extreem hoge lelijkheid dan in de meeste Belgische kustplaatsen, maar toch moet het er in de tijd van Elsschot en Delvaux veel kleinschaliger en vriendelijker zijn geweest.

Elsschot vierde zijn vakantie jaarlijks aan de Belgische kust. Eerst huurde hij gemeubileerde huizen in De Panne totdat hij in 1927 besloot een eigen huis, Kerkepanne genaamd, te laten bouwen in het naburige Sint-Idesbald, op twee kilometer van het strand. Een eenvoudig huis: rode baksteen, kleine geruite ramen, een pannendak, eetkamer, keuken, boven vier slaapkamers, geen elektriciteit. Zo beschrijft Ida de Ridder het in haar boek Willem Elsschot, mijn vader. „Het lag verscholen tussen struiken en populieren. Je zag het niet liggen vanaf de straat.”

Die straat heette toen de Prinses Marie-Josélaan, maar is omgedoopt tot de W. Elsschotlaan. Het huis, op nummer 9, kun je nog steeds niet goed zien liggen vanaf de weg. Dat is ook de bedoeling, want een bordje geeft aan dat het hier privéterrein betreft.

Ik liet het maar zo. Ook omdat Elsschot dit huis in 1943, gedwongen door geldnood, verkocht en drie jaar later verkaste naar villa Sol Adoré, beter zichtbaar in dezelfde buurt gelegen aan de Pannelaan 49, waar hij elk jaar in augustus een verdieping huurde. Een knusse vrijstaande woning, uit rode baksteen opgetrokken en voorzien van een puntdak; langs de gevel loopt een trap naar de eerste verdieping waar het echtpaar Elsschot logeerde.

De zakenman Elsschot zocht in Sint-Idesbald de rust die hij in Antwerpen ontbeerde. Hij wandelde met zijn kinderen langs het strand richting Frankrijk, viste er veel in een kanaal of dronk een borreltje met collega-schrijver Maurice Roelants. Sint-Idesbald fungeerde toen als vakantiekolonie voor tal van kunstenaars zoals René Magritte, Raymond Herreman, Karel Jonckheere en de surrealistische schilder Paul Delvaux.

Hebben Elsschot en Delvaux elkaar goed gekend? Daarvoor vond ik in de literatuur en ter plekke geen aanwijzingen. Wel las ik in het boek Willem Elsschot. Man van woorden van Martine Cuyt een anekdote, waarin Annie Romein-Verschoor en haar man Jan samen met Elsschot naar ‘hun stamkroeg’ De Vlierboom in Sint-Idesbald liepen. Elsschot wilde Jan, ‘de professor’, in het midden hebben, maar Jan vond dat meer de positie voor Elsschot en zei: „Er zijn zoveel professoren, maar er is maar één Elsschot.”

Nederlanders – altijd bescheiden.

Grappig genoeg is diezelfde Vlierboom (of Vlierhof) nu getransformeerd in het Paul Delvaux Museum. Daarin heb ik met groeiende teleurstelling rondgedwaald. Wat Elsschot voor de literatuur betekent met een oeuvre van duurzame kwaliteit, zal Delvaux niet voor de schilderkunst betekenen, vermoed ik. Zijn oeuvre is groot in omvang, maar beperkt van thematiek. Talrijke op elkaar lijkende schilderijen met vrouwen met ontblote borstjes, die een onbestemde indruk maken, alsof ze zelf niet weten wat ze op die schilderijen doen. Pas als hij die vrouwen weglaat, komt er een overtuigender melancholie vrij.

Geef mij maar Kaas.