De onwennige nieuwe elite van Israël

Machtsverschuiving Israël was lange tijd een op het seculiere socialisme geschoeide staat. Nu hebben rechtse en religieuze krachten de macht opgeëist.

De Israëlische premier Benjamin Netanyahu sprak vorige week Arabisch-Israëlische scholieren toe in Tamra. Foto’s Jack Guez/AFP en Mehdi Chebil/Polaris

Het is een hard gelag voor vlaggenhaters. Eind augustus dienden rechtse Knessetleden in Israël een wetsvoorstel in: als parlementariërs of ministers aan een evenement deelnemen, moet daar de Israëlische vlag worden getoond. Organisatoren die dit weigeren, riskeren een boete van 5.000 shekel (1.170 euro).

Staat de Israëlische vlag dan zo onder druk? Niet bepaald. Het is in Israël onmogelijk om de vlag te ontlopen; niet alleen wappert ze fier op het dak van elk officieel gebouw, ook drukt menig Israëliër zijn nationale trots uit met een blauwwit dundoek aan het balkon.

Op geen enkel officieel evenement ontbreekt de vlag. Met één uitzondering: vorig jaar, op een door de links-zionistische krant Haaretz georganiseerde conferentie in New York, werd de vlag tijdelijk weggehaald toen secretaris-generaal Saeb Erekat van de PLO plaatsnam achter het katheder. En dat, vindt Israëlisch rechts, mag niet opnieuw gebeuren.

Verschuiving naar rechts

Israël schuift op naar rechts, en wordt ook religieuzer. Was het land na de oprichting in 1948 decennialang een op het seculiere socialisme geschoeide staat, de laatste tijd hebben andere krachten het voor het zeggen. In de politiek is dit al langer duidelijk: zo trad vorig jaar een kabinet aan dat door commentatoren ‘het meest rechtse in de geschiedenis’ wordt genoemd. Maar de trend sijpelt ook door in andere sectoren van de samenleving.

Van oudsher waren in Israël de media, de cultuursector en de universiteiten linkse bastions, zelfs toen de politiek al naar rechts was opgeschoven. En ook in het leger kwamen de generaals en andere hoge officieren steevast uit de gelederen van de ooit oppermachtige Arbeiderspartij. Tegenwoordig is Haaretz de enige linkse krant van betekenis en neemt in het leger het aantal keppeltjes toe. Was in 1990 nog maar 2,5 procent van de officieren orthodox-joods, nu wordt hun aandeel geschat op 30 tot 40 procent.

De oude Israëlische elite is links, seculier en woont in Tel Aviv. Tegenwoordig zijn de machthebbers rechtser, religieuzer en is de kans groot dat ze in een illegale nederzetting op de Westelijke Jordaanoever wonen. Dit is voor een deel het gevolg van demografische ontwikkelingen: religieus-rechtse Israëliërs krijgen meer kinderen dan hun seculiere landgenoten.

Invloedrijke functies

Maar de trend behelst meer dan kille cijfers. In de oude monocultuur, zegt Haaretz-columniste Ravit Hecht, werden invloedrijke functies vergeven aan Asjkenazische mannen: Joden uit Noord- en Oost-Europa. „Daardoor bleven grote groepen onderbelicht: vrouwen, bijvoorbeeld, maar ook de Sefardische Joden.” Dat zijn Joden uit Arabische landen.

„En nu is een Sefardische vrouw, Miri Regev, minister van Cultuur. Het lijkt mij goed dat de samenleving diverser wordt.”

Regev is een goed voorbeeld van de nieuwe elite. Tot afgrijzen van de oude machthebbers meldde zij dat ze nooit een boek van Tsjechov heeft gelezen – en dat ze daar trots op is. Hecht:

„Ik generaliseer een beetje, maar de oude machthebbers zijn nog steeds verbaasd dat ze het niet meer voor het zeggen hebben. Zij denken: hoe kan een cultuurbarbaar nou worden benoemd tot minister van Cultuur? Ze kijken op haar neer, terwijl een meerderheid van de bevolking haar juist waardeert.”

Het spiegelbeeld van deze ontwikkeling, aldus Hecht, is dat de nieuwe elite nog een beetje onzeker is over de verworven macht. De vlaggenzwaaiwet is een voorbeeld van wat ze „groeipijnen” noemt: machthebbers die zich gedragen alsof ze een bedreigde minderheid zijn. Andere voorbeelden: een minister (Lieberman van Defensie) die het werk van de Palestijnse dichter Mahmoud Darwish vergelijkt met Mein Kampf van Adolf Hitler. En het werk van een kunststudent waarin justitieminister Shaked naakt werd afgebeeld, werd beschouwd als minachting voor een overheidssymbool.

Behalve demografische ontwikkelingen is er nog een andere reden waarom de bevolking rechtser wordt, zegt historicus Benny Morris: onvrede over ‘de Arabieren’.

„De perceptie is, en ik ben het daarmee eens, dat wij de Arabieren zowel in 2000 als in 2008 een genereus aanbod voor vrede hebben gedaan. Tot twee keer toe hebben ze het niet geaccepteerd. Israëliërs hebben het gevoel dat met hen niet te praten valt. Zie ook de Egyptische judoka die bij de Olympische Spelen de hand van zijn Israëlische tegenstander weigerde. Ook al is er een vredesovereenkomst met Egypte, de bevolking moet ons niet.”

De rol van Netanyahu

Volgens Morris – bekend van het standaardwerk 1948: A History of the First Arab-Israeli War – is het verleidelijk om de ruk naar rechts toe te schrijven aan de man die aan zijn elfde jaar bezig is als baas van het land: Benjamin Netanyahu.

Er is een theorie die zegt dat de premier nog altijd wraakzuchtig is wegens de manier waarop zijn vader werd behandeld. Als volgeling van de rechtse zionist Ze’ev Jabotinsky werd historicus Benzion Netanyahu nooit voor vol aangezien in een samenleving die werd gedomineerd door de linkse kliek rond David Ben-Gurion. Morris:

„Ik denk dat dit meer is dan een theorie. De behandeling van Netanyahu’s vader heeft invloed op hem gehad. Nog altijd houdt hij niet van de linkse universiteiten die zijn vader dwarszaten.”

Hecht ziet Netanyahu als voorbeeld van een machthebber die zich gedraagt als een underdog. „Je zag het vorig jaar bij de verkiezingen: hij lag achter in de peilingen en jammerde dat de Arabieren in drommen naar de stembus gingen. Dat hielp om zijn achterban te mobiliseren.”

De ultieme middelvinger van de premier aan het adres van de oude elite, aldus Hecht, is de benoeming van Lieberman, een man zonder noemenswaardige ervaring in het leger, tot minister van Defensie. „Toch past Lieberman niet zozeer in de religieus-rechtse bovenlaag. Hij is wel rechts, maar ook seculier. En hoewel hij zelf een kolonist is, zie ik hem eerder als vertegenwoordiger van de Russische Joden.” Sinds de jaren negentig zijn er honderdduizenden – overwegend behoudende – Joden uit de voormalige Sovjet-Unie naar Israël gekomen.

Netanyahu’s inspanningen ten spijt is het volgens Morris niet makkelijk een elite naar je hand te zetten. „Je kunt Regev tot minister benoemen, en zij pakt wat subsidies af van de theaters in Tel Aviv ten gunste van meer populaire cultuuruitingen. Maar daarmee is de cultuursector nog niet meteen rechts geworden. Allengs zal dit wel veranderen, maar dat ligt eerder aan de demografie dan aan Netanyahu.”

Orthodoxe officieren

Er is één sector waar de verschuiving een stuk sneller gaat: het leger. Morris: „Dat is ook logisch, want het verloop is veel hoger. Op je twintigste kun je officier zijn, op je dertigste een brigade leiden.” Al die nieuwe orthodoxe officieren zijn overwegend nationaal-religieus: ze combineren het orthodoxe jodendom met Israëlisch nationalisme. Deze groep, die 10 procent van de bevolking uitmaakt, is in het leger sterk oververtegenwoordigd.

Dit kan niet zonder gevolgen blijven. Nationaal-religieuze rabbijnen zullen meer invloed krijgen, denkt Hecht. En, vraagt Morris zich af, hoe zal het leger reageren als er een Joodse nederzetting moet worden ontruimd door soldaten die niet alleen zelf kolonisten zijn, maar die bovendien geloven dat het bewuste land door God aan de Joden is beloofd?

Foto’s Jack Guez/AFP en Mehdi Chebil/Polaris

Minister van Cultuur Miri Regev bezocht in mei het filmfestival van Cannes. Foto’s Jack Guez/AFP en Mehdi Chebil/Polaris

Hoogleraar sociologie Yagil Levy van de Open Universiteit van Israël spreekt van de „theocratisering van het leger”: gelovige soldaten zijn geneigd om eerder naar hun rabbijnen te luisteren dan naar hun bevelhebbers. Die rabbijnen, betoogt hij, zien de kolonisatie van bezet gebied als een religieuze missie. Ook een oorlog tegen Hamas wordt in Bijbelse termen bezien: wij Israëlieten tegen de heidense Filistijnen. Het gevolg van dit gedachtengoed, denkt Levy, is dat de „oorlog tegen de niet-Joden” pas kan worden gewonnen als „de niet-Joden verdwijnen”.

Een collega van Levy, hoogleraar filosofie Avi Sagi van de Bar Ilan-universiteit in Ramat Gan, ziet het zo’n vaart niet lopen. Religieuze soldaten, zegt hij, worden in het leger opgenomen en moeten aan de – seculiere – standaarden voldoen. Over de nieuwe legerrabbijn Eyal Karim, die stelde dat soldaten niet-Joodse vrouwen mogen verkrachten, is hij mild: „Zijn opvattingen over de religieus-joodse wetten zijn zeer problematisch, maar hij heeft er publiekelijk afstand van genomen.”

Kritischer is Sagi over commandant Ofer Winter, die tijdens de Gaza-oorlog van 2014 zijn soldaten voorhield dat ze ten strijde moesten trekken tegen de „godslasteraars” van Hamas. Sagi: „Hij gebruikte zijn militaire macht om iets onacceptabels te zeggen. Het Israëlische leger is geen Leger van God. Onze taak is niet de jihad, maar de bescherming van Israël.” Maar dan nog, zegt hij: het waren woorden.

„Joden houden van praten. Maar ze accepteren de ethische regels.”

Het land zal religieuzer worden, zegt Morris – maar daarover is hij niet somber. Gevaarlijker, zegt hij, is de invloed van de ministers Regev (Cultuur) en Bennett (Onderwijs).

„Zij propageren aanpassingen van het curriculum in het onderwijs en de kunstsector waarin een enorme nadruk wordt gelegd op het Joods-Israëlische narratief. Dat zal het collectieve geheugen van de komende generaties bepalen.”