Voor de stervende is elke dag belangrijk

marjoleinedevos0

Het is een vraag: „Geeft dat ons zijn afzienbaar is een zin?” Het gedicht van C.O. Jellema waarin deze vraag staat, is nogal luchtig getiteld ‘Landschap met dode muis’, maar de inhoud is niet zo heel luchtig. Het gedicht denkt na over de dood, over hoe alles steeds op afscheid wijst, ook een zonsondergang, een uil die uit een boom vliegt. Het is min of meer een uitwerking van wat Rilke schreef: „So leben wir, und nehmen immer Abschied”.

Zo is het, al zou je ook juist andersom kunnen beweren dat alles steeds begint, steeds schept, steeds zich vernieuwt. Om een of andere reden doet dat toch wat geforceerder aan, zij het een stuk vitaler.

De vraag van Jellema leek me altijd min of meer retorisch – natuurlijk geeft het feit dat het eindig is ons leven betekenis! Denk alleen maar aan Emilia Marty, de hoofdpersoon uit Janaceks opera De zaak Makropoulos. Zij heeft een elixir gedronken dat haar de eeuwige jeugd geeft, ze is al zo’n driehonderd jaar oud. Om haar heen wordt verlangd en geleden, maar haar kan het niets meer schelen. „De aarde verveelt/ de hemel verveelt/ Je ontdekt/ dat je ziel gestorven is.”

Wie niet sterft, of wie veel te lang leeft, gaat zich onherroepelijk vervelen, op de lelijkst denkbare manier; álles wordt hem of haar onverschillig.

Tegelijkertijd weten we maar al te goed dat de eindigheid van alles evenzeer een enorm gevoel van zinloosheid oproept. Waartoe al die moeite als het toch allemaal voorbij gaat? Als kind lag ik dat ’s avonds in bed weleens ontzet te denken: dat we allemaal elke dag opstonden, dat ik naar school ging, dat ik groot zou worden en net als mijn ouders elke dag zou moeten gaan werken, maar dat we toch allemaal dood zouden gaan. Waarom deden we dan al die dingen?

Ik heb er eigenlijk, behalve dat we nu eenmaal leven, nooit een echt antwoord op gevonden. Hooguit dat rare omgekeerde antwoord dat het nóg erger, nog zinlozer zou worden als er nooit een einde aan kwam. Dan zou je je pas echt gaan afvragen waartoe dit alles diende; het eeuwige leven zou je alleen maar kunnen verdragen als je gedachteloos werd, je niet steeds bewust was van tijd en vergankelijkheid, maar gewoon bestond. Zoals die muis van Jellema: „zonder besef van schoonheid, weet van scherven,/ zonder geluk gerust”. Ook dat ja: ‘zonder geluk gerust’, niet dat hinderlijke en overdreven streven naar zoiets als ‘geluk’. Zelfs niet ‘tevreden’, dat is ook alweer zo’n oordeel, het denkloze bestaan zou ook zonder oordelen moeten zijn. Waarmee de ervaring van schoonheid dan ook meteen verdwenen is.

Zouden we binnen afzienbare tijd echt van ouderdom kunnen genezen? Fit en heel blijven, geen kapotte heupen en knieën meer, geen ouderdomsdiabetes, geen hart dat te traag en te krachteloos gaat kloppen om ons een vrolijk huppeltje toe te staan, zorgeloos 130 jaren leven, of meer nog?

Hoe gaan we dat doen?

Ik denk wel eens dat al die interviews met stervenden die we tegenwoordig lezen en horen een uiting zijn van verveling, van verlangen naar zin. Voor de stervende, is elke dag belangrijk, elk uur, elk ogenblik, want de tijd is nog maar kort. Dat ken je zelf ook in het klein van de laatste vakantiedag, van iemands aanwezigheid vlak voor een lange reis. Ineens voel je alles hevig. Blijkbaar is dat aantrekkelijker dan dat geruste van die muis.

Het zal nog een hele opgave worden om ze uit te houden, die 130 jaren.