Overdosis vervreemding in ‘Die Fremden’ stoot af

Die Fremden JU/Ruhrtriennale

●●

Wat gebeurt er als je een naamloze dode een naam geeft? Als die anonieme ander, de vreemde die we vrezen, een mens wordt? De Algerijnse schrijver Kamel Daoud realiseerde dat, in zijn roman Moussa, of de dood van een Arabier. Dat boek is een antwoord op Camus’ De vreemdeling; ode en aanklacht ineen. In De vreemdeling vermoordt Camus’ hoofdpersoon Meursault een naamloze Arabier op het Algerijnse strand. Douads verteller Haroun is zijn broer. Hij vertelt de geschiedenis aan een journalist die hem opzoekt in de kroeg.

Haroun is bitter, zijn leven is vernield door de moord, en door de rouw en roep om wraak van zijn moeder. Wat hem het meeste stak, vertelt hij, in een lange, lyrische weeklacht, is dat zijn broer in die beroemde roman onbenoemd blijft. Vijfentwintig keer valt de term ‘Arabier’ in De Vreemdeling, maar nergens krijgt het slachtoffer een naam, net zo min als de andere Arabieren. In die zin is Moussa een correctie op, en een aanklacht tegen, het Westers postkolonialisme. Regisseur Johan Simons zag terecht de relevantie van die aanklacht in deze tijd, nu honderden naamloze doden aanspoelen op Europese stranden. Wat als we ons vergaand in hen verplaatsen? Kan dat überhaupt?

De ambitieuze muziektheatervoorstelling Die Fremden, die vrijdag zijn première beleefde in de Ruhrtriennale, wil een onderzoek zijn naar die ‘ander’, en daarmee naar onszelf. Daouds roman werd daartoe ingrijpend bekort tot een mozaïek van tekstflarden, doorsneden met passages uit De Vreemdeling, die door de vijf acteurs afwisselend worden voorgedragen – van spelen is hier nauwelijks sprake. Alle vijf zijn ze Moussa – aan het begin van de voorstelling dragen ze allemaal zijn blauwe overall, en beurtelings zijn ze ook verteller Haroun, moordenaar Meursault, imam of politie-inspecteur. Heel soms is sprake van een verhalende scène, als iemand even kort een personage belichaamt – Sandra Hüller speelt ook Meriem, met wie Haroun een kortstondige liefde beleeft, Elsie de Brauw is de moeder, gesluierd met de Algerijnse vlag. Maar in essentie is Die Fremden een tamelijk abstracte stemmencompositie, met flarden onmachtige zinnen die vertwijfeld weerklinken in de immense ruimte: de reusachtige kolenmenghal Auguste Victoria in Marl, bij Recklinghausen.

Simons kent intussen het effect van zulke ruimtes, en hoe mooi nietig zijn spelers daarin zijn. De musici van het Asko/Schönberg ensemble onder leiding van Reinbert de Leeuw schuilen bijeen op een slordig kluitje – drenkelingen in een zee van leegte. In het lage strijklicht zorgt die mise-en-scène voor adembenemende beelden. Grootste troef: halverwege de voorstelling komt een gigantische kolenmengmachine tot leven, die daarvoor de speelvloer had begrenst. Tergend traag glijdt die naar achter, terwijl sopraan Katrien Baerts schitterend Claude Viviers fantasiearia Bouchara ten gehore brengt. Onzintaal, omdat taal verdeelt en tekortschiet. De hal verdubbelt in grootte, en als de spelers na de aria terugkeren, zijn ze niet klein meer, maar verloren. Dat is het lot van de mens in een gemeenschap zonder samenhang, in een wereld zonder god. Vrij, maar dolend en eenzaam. Je verplaatsen in de ander? Onmogelijk. We weten zelf nauwelijks nog wie we zijn.

JU/Ruhrtriennale

JU/Ruhrtriennale

Videokunstenaar Aernout Mik, die in het eerste deel indrukwekkende historische beelden toonde van kort na de Algerijnse onafhankelijkheidsstrijd, toont in het tweede deel nieuw werk: een grote hal die dienst doet als opvang voor vluchtelingen. Vertrouwde beelden zijn het, met dat verschil dat de vluchtelingen hier een West-Europees uiterlijk hebben. Opeens zijn wij het daar, ontheemd en op de vlucht.

De filosofische allusies van Die Fremden zijn talrijk en evident, maar ze komen maar moeilijk los van papier. Dat komt omdat eenzaamheid en vervreemding wel worden uitgebeeld, maar nergens voelbaar worden. De spelers zeggen hun teksten schools en toonloos op. Een bewuste keuze: ook acteren is je verplaatsen in de ander, en dus onmogelijk. Maar het blijft oneindig zonde om een genie als Pierre Bokma zo vlak en mat te zien. Het spel van zowel Risto Kübar als Benny Claessens illustreert pijnlijk een avant-gardistisch misverstand: dat als je een opmerkelijke persoonlijkheid op toneel lekker gek laat doen, dit vanzelf kunst oplevert. Integendeel: dat gebrek aan vorm of samenhang verveelt en stoot uiteindelijk af – zonder vorm geen betekenis. Zo lost de mogelijke impact van de materie op in loos, schijnbaar ongekozen gedrag: huppelpasjes, malle dansjes, clowneske gestiek. Alleen Hüller en De Brauw weten met hun charme en lichte toets nog iets van emotie over te brengen.

Die Fremden gaat over vervreemding, dat wordt meer dan duidelijk: we zijn vervreemd van de ander, en van onszelf, en dat maakt identificatie en empathie onmogelijk. Maar temidden van al die nadrukkelijke vervreemding raakt hier ook het publiek op drift, met als resultaat apathie en desinteresse. Dat kan zelfs het schitterend spelende Asko/Schönberg niet verhelpen.