Oogt als een walvis, klinkt goed

Nieuwe muziek

Dianne Verdonk bouwde een nieuw instrument, de Bellyhorn. „Hoe het precies werkt, is mij ook een raadsel.”

De Bellyhorn, een muziekinstrument van musicus en instrumentenbouwer Dianne Verdonk. Foto Rien Zilvold

Een muzikant achter een laptop – dat is niet erg fotogeniek. Toch is elektronica voor musici en componisten tegenwoordig een van hun voornaamste instrumenten. In vergelijking met een piano of trombone ziet het er alleen zo saai uit, dat gepruts achter die knopjes.

Ultralage basnoten

Dat kan anders, vindt musicus en instrumentenbouwer Dianne Verdonk (1988). Na cellist Maarten Vos vorig jaar is Verdonk de tweede musician-in-residence van de Gaudeamus Muziekweek voor nieuwe muziek. Eerder trok Verdonk aandacht met haar ‘La Diantenne’ (te zien op YouTube), een soort kruising tussen een vedel en een theremin, voorzien van de slimme ondertitel ‘receiver of my intentions’. Want daar gaat het Verdonk om: haar muzikale bedoelingen hoorbaar maken, op een intuïtieve manier, zonder gedraai aan knoppen. Voor Gaudeamus ontwierp ze twee gloednieuwe elektro-akoestische instrumenten, onder de noemer ‘Future Folk Instruments’.

Half augustus toont Verdonk in de Utrechts broedplaats Vechtclub XL haar ‘Bellyhorn’. Op de vloer van de zaal ligt iets wat lijkt op een reusachtige doedelzak, of een gesmolten Griekse amfoor. Verdonk heeft al veel associaties gehoord: „De meeste mensen zien er een levend wezen in – een aangespoelde walvis bijvoorbeeld.”

De ‘Bellyhorn’ oogt futuristisch en archaïsch tegelijk. In kleermakerszit op de vloer neemt Verdonk het mondstuk op schoot en begint erin te zingen. In de wielvormige mond (gemaakt van een fietswiel) hangt een web van elastiek, met in het midden een microfoon. Uit de buik van de Bellyhorn komt een elektronische grondtoon, waarop Verdonk zich oriënteert bij het zingen van haar weemoedige melodie.

Maar het klinkende resultaat is veel meer dan de som der delen: de Bellyhorn produceert een overweldigende klank, met ultralage basnoten die diep resoneren. De fascinerende respons van het instrument heeft te maken met de intervallen tussen de grondtoon en Verdonks melodie – maar hoe het precies werkt, geeft ze toe, is „een beetje een raadsel”.

En dat is juist het idee. Verdonk geeft een inkijkje in de machinekamer van het instrument, dat er efficiënt uitziet: een kleine synthesizer, een speakertje en een flightcase als klankkast. De techniek is simpel. „De inzet is om de parameters op een andere manier aan te sturen, meer lichamelijk en intuïtief”, zegt Verdonk. „Het is een nieuw ding, en je moet je er op een andere manier toe verhouden. Van een viool weet je hoe je die moet vasthouden, wat de uitvoeringshistorie is. Bij de Bellyhorn is dat allemaal nog een ontdekkingsreis.”

Pendule

Verdonks Future Folk Instruments-project is de eerste samenwerking tussen Gaudeamus en Vechtclub XL, een broedplaats die al zo’n tien jaar bestaat. Vechtclub XL is een „dynamische plek voor toegepaste kunst”, aldus initiatiefnemer en artistiek leider Jet van Zwieten (1985). Vorig jaar begon Vechtclub XL met publieksprogrammering, en de presentatie van Verdonks instrumenten in de Muziekweek past daar.

Vechtclub XL bracht Verdonk in contact met de vier kunstenaar-ontwerpers, die hielpen haar ideeën uit te voeren. Zo maakte Danielle van Lunteren de fraaie leren hoes van de Bellyhorn, en soldeerde David Menting de circuits van de ‘Pulseyarn’ en schreef hij code voor het opensource-computerplatform Arduino. Ook Toon Welling en Quinten Swagerman leverden cruciale bijdragen aan de totstandkoming van de instrumenten.

Verdonks tweede troef, de Pulseyarn, is nog onder constructie. Dit instrument bestaat uit een grote metalen pendule, die heen en weer slingert boven een baan met verplaatsbare objecten. Elk van die objecten geeft een signaal en een sensor in het oog van de pendule leest de signalen uit. De signalen zijn verbonden met een digitale synthesizer. Door de amplitude van de slingerbeweging en de plaatsing van de objecten te veranderen, ontstaat steeds een ander ritme van gesynthetiseerde geluiden.

Het is veel werk, geeft Verdonk toe. Behalve instrumenten bouwen moet ze ook nog componeren en repeteren. „Dat heb ik het meest onderschat”, zegt ze. „Aan de andere kant: ik denk dat de instrumenten een waarde van zichzelf hebben. Mensen reageren er enthousiast op. Ook het publiek is welkom om erop te spelen.”