Onderwijs is niet hoog of laag

Opinie Zonder de schoonmaker kan de chirurg zijn werk niet doen, schrijft Harm Bult. Praktisch onderwijs verdient dezelfde waardering als theoretisch onderwijs.

Foto: Flip Franssen

Vandaag begint voor de meeste universiteiten het academisch jaar. Met plechtig ritueel openen de universiteiten het collegejaar. Op het programma staan tradities, lezingen, muzikale intermezzo’s en het uitreiken van prijzen. De professoren zitten zeer prominent in toga’s vooraan. Ook is er veel aandacht voor de studenten. De eerstejaars hebben net hun introductietijd gehad. Ze zijn verleid om zich aan te sluiten bij de verschillende studentenverenigingen. Zij kunnen gebruik maken van de goede faciliteiten die de sport- en cultuurcentra bieden. Fantastisch natuurlijk.

Echter, sommigen zijn niet in de wieg gelegd om altijd maar door te studeren. Zij kunnen niet meedoen aan de studentenverenigingscultuur. Vorige week donderdag is die zelfs tot immaterieel erfgoed verklaard. Laatst zat ik in de trein met een medewerker van de NS. Hij was storingsmonteur en vertelde over de opleiding die hij had gedaan. Bij het opleidingsinstituut van de NS had hij geleerd hoe onderdelen van treinen vervangen moesten worden. Een mbo niveau twee opleiding. Toen ik vervolgens vertelde dat ik wijsbegeerte studeerde aan de universiteit, was zijn eerste reactie dat hij daar niet ‘slim’ genoeg voor was. Mij doet dat pijn.

Niet iedereen heeft het in zich om hele dagen in de collegebanken te vertoeven of te zwoegen voor een scriptie. Of het nu willen of kunnen is, die pakken liever een gereedschapskist of dweilmachine en doen het broodnodige fysieke werk. Nederland draait niet alleen op academici, juist ook op de klusjesmannen en -vrouwen, buschauffeurs, verpleegkundigen en schoonmakers. Zij zorgen ervoor dat Nederland een prachtig land is waar dingen nog nooit zo goed geweest zijn. Goede zorg en goed onderwijs, een prachtig en uniek landschap en goede wegen zonder gaten.

Dit wordt in onze samenleving helaas te weinig onderkend. Als je niet zo ‘slim’ bent, moet je naar het (v)mbo of praktijkonderwijs. Zogenaamd ‘minderwaardige’ onderwijsvormen. Na die scholen word je immers ‘lager’ of ‘middelbaar’ opgeleid, en daarmee minder goed dan ‘hoger’ opgeleiden. Te vaak leeft onder de leerlingen en hun ouders het idee dat zij nooit succesvol zullen worden. Derhalve streven ouders naar een havo- of vwo-opleiding voor hun kind, want dat is wél goed voor zijn of haar toekomst. Dit terwijl 71 procent van de beroepsbevolking lager of middelbaar opgeleid is. Is het niet verschrikkelijk dat we zo’n grote groep op deze manier wegzetten?

Daarom moeten we het hoger onderwijs afschaffen.

Natuurlijk ben ik niet voor het afschaffen van het hoger onderwijs in letterlijke zin. Theoretische kennis met een groter perspectief is onmisbaar. Kijk naar problemen als klimaatverandering of het gebrek aan wereldvrede. Hands-on problemen oplossen kun je niet zonder te weten hoe je dat goed doet. Echter een klimaatwetenschapper alléén kan ook niet veel. Het is het samenspel van wetenschappers, politici, bestuurders, organizers en mensen die in de modder staan, dat uiteindelijk het meest effectief is om de problemen op te lossen.

Toch is er een grote sociale druk om door te studeren. We moeten alsmaar hoger opgeleid worden, onder de noemer dat Nederland immers een kenniseconomie is. Hiermee vergeten we dat een groot gedeelte van Nederland intussen niet mee komt in de wedloop der intellectuele verheffing. Daarom vind ik dat we af moeten van het idee ‘hoger’ en ‘lager’ onderwijs. We moeten niet spreken over hoger of lager opgeleiden, maar over theoretici en practici. Zowel praktische als theoretische benaderingswijzen zijn noodzakelijk voor onze samenleving. Dat moeten we ook in het discours afspiegelen. Op die manier zorgen we ervoor dat iedereen zich gewaardeerd voelt en evenveel kan bijdragen. Een professor kan niet zonder docent of promovendus, een docent kan niet zonder de secretarieel medewerker en alle drie kunnen ze niet zonder de schoonmaker.

Waardeer iedereen die goed werk levert en stel er een goed salaris tegenover. Is het niet van de zotte hoeveel meer leidinggevenden verdienen dan practici? Niet alleen de academici en CEO’s, maar ook de vuilnismannen en -vrouwen, schoonmakers en hoveniers verdienen oprechte waardering van de maatschappij. Zo kan een (v)mbo’er of practicus ook trots zijn op zijn of haar werk.

Uiteindelijk zijn we allemaal gelijkwaardig. Laat dat dus ook zien bij de opening van het academisch jaar. Zet daar ook alle schoonmakers, docenten en andere facilitair medewerkers in het zonnetje. Want zij voegen net zoveel toe aan de universiteit en samenleving als de professoren.