‘Ik vergat soms dat ik maar één been heb’

Interview Edwin de Wolf (46) stapte als militair in Bosnië op een mijn en verloor zijn been. Zijn bronzen medaille op paralympische spelen voor veteranen was een overwinning na 22 jaar revalideren, trainen en een nieuw bestaan opbouwen als burger.

Foto Merlijn Doomernik

Toen Edwin de Wolf (46) als twintiger het leger in ging, zette hij een familietraditie voort. Zijn grootvader vocht in de Tweede Wereldoorlog. Zijn vader ging als beroepsmilitair in 1979 naar Libanon. „Ik groeide op in Ermelo, vlak bij de Generaal Spoorkazerne. Er kwamen vaak militairen over de vloer. En wat was er mooier dan de verhalen over hoe het toen, midden in de Koude Oorlog, was? Al op mijn tiende wist ik dat ik het leger in wilde.”

De Wolf is een imposante veertiger in topconditie, alleen zijn loop verraadt zijn handicap. Hij vertelt zijn verhaal in het Militair Revalidatie Centrum Aardenburg in Doorn, zijn werkplek. Tussen de gebouwen in het bos staan trapjes met leuningen. Hier leren militairen en burgers met een prothese lopen. Op de vensterbank in zijn kantoor prijken een rode baret, een blauwe VN-helm en een wielerhelm.

Edwin de Wolf voetbalde als kind, hij liep hard, deed mee aan de Vierdaagse van Nijmegen. Zijn vader was vaak op oefening in het buitenland, Edwin en zijn zus werden vooral opgevoed door zijn moeder. Er was thuis geen militaire discipline.

Srebrenica

De Wolf hoefde niet gemotiveerd te worden, zijn vader probeerde hem ook niet te weerhouden van een militaire carrière. „Hij zei wel dat ik goed moest nadenken over wat ik wilde in het leger. Ik wilde bij de infanterie. Met mensen werken, veel sporten en vaak buiten zijn.”

De eerste twaalf maanden op de Koninklijke Militaire School in Weert leerde hij over wapens, over kaart- en kompaslezen, over leidinggeven. Na de wapentechnische training werd hij klaargestoomd voor een leidinggevende functie bij de pantserdivisie. Bij het 41ste pantserinfanteriebataljon stoottroepen kreeg hij tien toen nog dienstplichtige soldaten en een infanteriegevechtsvoertuig onder zich.

Hij wist dat er Nederlandse troepen naar de oorlog in het voormalige Joegoslavië gestuurd konden worden toen hij zich aanmeldde bij de Luchtmobiele Brigade, de divisie met de rode baretten. Wat hij niet wist, toen de Tweede Kamer in 1993 gevechtseenheden naar Bosnië stuurde, was dat zijn eenheid niet onder NAVO-vlag, maar voor de Verenigde Naties zou optreden.

„Iets totaal anders. Als NAVO-eenheid mag je met geweld optreden, onder VN-vlag heb je een humanitaire missie. Maar er zijn ook burgers die je daar niet willen.”

Zijn vader zei niet veel toen hij in juli 1994 als groepscommandant met het twaalfde infanteriebataljon luchtmobiel vanaf Schiphol naar Srebrenica vertrok. „‘Doe voorzichtig’, zei hij. Daarna een ferme handdruk. Ik was 24, ik had er zin in, voelde me onsterfelijk.”

Vanaf Zagreb reden de jonge militairen met bussen naar de Bosnische enclave. „Ik keek met verbazing om me heen, de vernielde huizen, de inslagen van wapensystemen. Dit was geen voorbereiding, geen spelletje, dit was serieus.” Van Potocari, de Nederlandse basis, moest De Wolfs eenheid door naar observatiepost Alpha. „Een klein kampement. Afgesloten van de rest. Daar stond je dan als 24-jarige, met tien man onder je hoede.”

De militairen waren eenvoudig te herkennen, met hun opvallende blauwe helmen. „We zijn meerdere keren beschoten. Zoals toen we in een open veld liepen. Vanuit het niets vlogen de kogels over ons heen. We hadden geen idee waar het vuur vandaan kwam. Ik moest een beslissing nemen: schieten we terug? Met het risico dat we zwaarder onder vuur werden genomen en er doden vielen? We wisten niet waar ze zaten en met hoeveel. We trokken ons terug.”

In een bunkertje geslingerd

Later gingen ze op patrouille naar dezelfde plek. „We liepen langs de Servische grens van de enclave. Zij zagen ons, wij zagen hen, maar geschoten werd er niet. Ik zag de Serviërs niet als vijand, maar dit waren waarschijnlijk de mensen die ons eerder onder vuur hadden genomen. Om te testen hoe ver ze konden gaan.”

Verderop stuitte de groep op een aantal opstellingen – een paar gaten in de grond met planken eroverheen. Lagen er wapens verstopt? Mensen? De Wolf besloot om het te verkennen. Normaal loopt de groepscommandant als derde man in een patrouille, voorop lopen de twee verkenners. „Dat zijn de mannen die het meeste risico lopen. Ik geloof als leidinggevende in het goede voorbeeld geven, dus ik koos ervoor zelf voorop te gaan.”

Seconden later, een ontzettende klap. „Ik werd dat bunkertje in geslingerd. Ik zag en hoorde niets meer. Ik had ontzettende pijn, maar geen idee waar precies. Langzaam kreeg ik mijn zicht terug en ik zag mijn been: zwart, kapotgeslagen, het bloedde. Toen keek ik naar mijn arm, helemaal opengereten, donker bloed spoot eruit. Ik had een slagaderlijke bloeding.”

De Wolf moest zichzelf uit het bunkertje slepen, het was te gevaarlijk voor de andere mannen om hem daarbij te helpen. Alles draaide om zijn arm. „De gewondenverzorger deed alles om het bloeden te laten stoppen. Ze brachten me op een draagbaar naar het pantservoertuig, kilometers verderop. Ik was zo intens moe, er werd constant tegen me gepraat om me bij positieven te houden.”

De Wolf was op een antipersoonsmijn gestapt, die gemaakt is om te verminken, niet om te doden. Uren later kwam De Wolf aan in Potocari. „Sorry, zei ik tegen de commandant toen ik naar buiten werd gedragen, nog zwart van het vuil. Sorry. Het was het enige wat ik kon uitbrengen.”

Op de operatietafel vroeg De Wolf de chirurg of hij zijn been zou houden. „‘Ik doe mijn best’, zei hij. Eigenlijk wist ik toen al dat ik m’n been kwijt was.” Zijn been werd tot boven de knie geamputeerd.

Nutteloos

Twee dagen na de operatie werd De Wolf In het Centraal Militair Hospitaal in Utrecht herenigd met zijn ouders en vriendin. „Niet alleen lag ik daar zonder been, ik was nog niet gewassen, mijn gezicht was nog zwart van het stof. Toen zei ik al dat het weer goed zou komen. En die overtuiging had ik toen echt.”

Amper twee weken later werd hij verwacht op het Militair Revalidatie Centrum Aardenburg in Doorn. „Toen waren hier nog houten barakken. Hier zou ik de komende tijd wonen. De dokter had het over een revalidatie van minimaal een jaar. Ik vond dat te lang. ‘Dat zullen we nog weleens zien’, zei de dokter.”

In het revalidatiecentrum word je geleefd, zegt De Wolf. Elke dag was hij bezig zijn spieren sterker te maken. „Je moest bijvoorbeeld op je rug liggen en de therapeut drukte dan op je stomp. En ik moest dan maar die stomp in beweging krijgen.” Verder bestond zijn dag uit veel zwemmen, paardrijden, rusten en psychische hulp. „Het was een eenzaam traject. Er waren niet zoveel gewonden, ik was de enige uit Srebrenica.”

Na drie maanden liep hij en een maand later mocht hij naar huis.

Een beschadigd lichaam doet wat met je, als mens en als man

En dan? Wat doet een militair zonder been? Wat doe je als je je hele leven fysiek bezig bent geweest? „Ik had geen idee. Ik dacht dat ik niets meer had aan mijn militaire training. Ik keek tv, kluste wat in het huis en ik was blij als het weekend was en de mensen om me heen ook vrij waren.”

De Wolf kreeg psychische problemen. „Het was geen depressie, maar een beschadigd lichaam doet wat met je, als mens en als man. Ik voelde me nutteloos.”

De Wolf beschrijft zichzelf als introvert. Zijn problemen hield hij voor zichzelf. „Hoe konden mijn familie en vrienden nou begrijpen hoe het was, dacht ik toen. Achteraf heel kortzichtig van me.”

Het kostte tijd om te wennen aan het nieuwe lichaam. „Doordat ik in het begin te veel met de prothese liep, haalde ik telkens m’n huid open. Soms als ik ’s nachts uit bed moest om naar de wc te gaan, viel ik om. Ik was even vergeten dat ik nog maar één been had.”

Begin 1996 werd De Wolf eervol ontslagen als militair, en aangenomen als burger-ambtenaar. Hij deed een managementopleiding en sinds vijf jaar is hij manager orthopedietechniek op het revalidatiecentrum in Doorn. Hij leidt het team van specialisten die militairen en burgers helpen en behandelen na een amputatie.

Belangrijker nog voor zijn herstel was dat hij weer ging sporten, wielrennen.

Een prothese is ballast

„De eerste keer met een prothese op de fiets stappen was onwennig. Na een paar kilometer was ik al heel moe. Maar fietsen verleer je niet, dat kan ook met één been.” Later ging hij zonder prothese fietsen. „Ik bleek zo veel meer bewegingsvrijheid te hebben. Een prothese is alleen maar extra ballast.”

Nu fietst hij twee á drie keer in de week rond Ede. Dit jaar werd hij geselecteerd voor de Invictus Games in Orlando, het internationale paralympisch toernooi voor veteranen. Eind mei won hij in een tijdrit met zware concurrentie („Vier van de tien hadden twee benen”) brons bij het tijdrijden. Op de rechte stukken haalde hij veertig kilometer per uur.

„Ik heb gehuild van blijdschap. Dit was de overwinning na 22 jaar vechten. Van revalideren, studeren, het ontslag als militair naar het nieuwe leven als burger.”

Nu staat zijn wielerhelm, met de baret en de helm uit zijn vorige leven, in de vensterbank van zijn kantoor. Volgend jaar zijn de Invictus Games in Toronto. „Dan hoop ik weer mee te doen.”