Gewoon Gesink

Een bijnaam voor een wielrenner moet lekker klinken en passen bij de rijstijl of het uiterlijk. Robert Gesink alias De Condor van Varsseveld? In zijn Gelderse geboortedorp vind je op het land koeien, paarden, varkens en in de lucht vliegen buizerds, sperwers en – vooruit – een rode wouw.

Een condor?

Wat een absurde vergelijking voor een renner die zo vaak in zijn carrière vleugellam was. Gesink is geen renner voor een romantische bijnaam. Aan hem kleven woorden uit ontnuchterende persberichten: familieomstandigheden, hartritmestoornissen, putdeksel, valpartij.

Gewoon ‘Gesink’ dus.

Tijdens de koninginnerit van de Ronde van Spanje reed hij op kop tijdens de beklimming van de Aubisque. De schaduwen op het asfalt werden al langgerekt tijdens ‘de zwaarste etappe van het jaar’. Gesink, dat was toch die renner bij wie alles net niet lukte?

In de laatste steile kilometers kreeg hij herkenbare trekken als fietsende vechtjas. Het scheve hoofd, de nek weggestoken tussen de schouders en de vingers om de remgrepen. Als er dan toch geassocieerd moest worden: zijn opengesperde mond deed me denken aan het schilderij De Schreeuw van Edvard Munch.

Het koken ging erbij inschieten. Dan maar sushi laten bezorgen.

Een bezopen supporter kon het feestje nog verzieken. Een lekke band, wellicht. En natuurlijk, de twee medevluchters loerden op de eindzege. Een week eerder was onze Varsseveldse vogel vlak voor de finish nog afgetroefd door Nairo Quintana.

Met een zwaarder verzet dan gebruikelijk begon Gesink aan een eindsprint bergop, alsof hij het zichzelf nóg moeilijker wilde maken. Een lijdensweg in de traditie van een bijbelse vertelling; alle verdriet op je rug meetorsen en uiteindelijk verlost worden.

Tergend langzaam reed Gesink weg van de twee andere vluchters. Nog tweehonderd meter.

De huisbel. Waarom precies nu?

Met een paar tientjes holde ik naar de deur. De bezorger gaf de sushi aan en pakte het papieren geld. Op zijn gemak zocht hij naar wisselgeld. Vanuit de kamer hoorde ik uitbundig maar onverstaanbaar commentaar.

Of ik het gepast had? Ik wilde de bezorger toeschreeuwen: ‘Man, Gesink gaat winnen!’ Maar wat had hij daaraan? Uit mijn broekzak griste ik een paar euro. Terwijl de jongen nog aan het tellen was, gooide ik de deur al dicht en holde naar de tv.

Te laat.

Gesink werd al omhelst. Hét gelukzaligste moment uit zijn carrière had ik niet live gezien. Stom, stom, stom. De Sukkel van Rotterdam ging met zijn sushi op de bank zitten.

Gelukkig, een herhaling. Gesink gleed in vertraging over de streep. Twee priemende wijsvingers naar zijn vader in de hemel, de kraaloogjes verborgen achter een spiegelende sportbril.

Terwijl de uramaki door mijn keelgat gleed, spoot de Gelukkigste Renner van De Dag met champagne alle geleden ellende op veilige afstand.