Een leeg museum

Een geschikt doel voor een minder zonnige dag aan de Belgische kust: het aan de schilder Constant Permeke gewijde museum in Jabbeke, een dichtbij Brugge gelegen plaatsje. „Als het er maar niet te druk is”, somberde ik nog tegen mijn vrouw voor we aan een urenlange fietstocht vanaf De Haan begonnen. Permeke (1886-1952) is immers een van de bekendste Belgische schilders.

Het werd een mooie, maar zware tocht door de polders, want de wind was krachtig en mijn huurfiets te klein. Ik voelde me zo’n Nederlandse topwielrenner met benen die hopeloos verzuren in het zicht van de zege. Maar voor mij was er geen ravijn waarin ik me eervol kon storten.

Jabbeke bleek een uitgestrekt dorp en het kostte ons de grootste moeite het museum te vinden; in het centrum was geen enkel verwijsbord geplaatst. Het museum, een met klimop overwoekerd doosvormig gebouw, lag aan een drukke verkeersweg. Het parkeerterrein was leeg, evenals de fietsrekken. Op zoek naar de toegangsdeur liepen we om het gebouw heen. Geen enkel teken van leven. „Dicht”, stelde ik vast, „dat moet óns weer overkomen.” Toch was het geen maandag, die dag die veel musea ongeschikt vinden voor het genieten van kunst.

Plotseling zagen we een gedaante opduiken achter een deur. Wenkte hij ons? We stapten een donkere hal binnen. Achter een balie zat een man van middelbare leeftijd die ons laconiek, maar vriendelijk begroette.

„We zijn toch niet de enigen?” vroegen we. „Jawel”, lachte hij, en hij voegde eraan toe dat dit minder uitzonderlijk was dan we dachten. Er gingen dagen voorbij dat er nauwelijks bezoek kwam. De meeste bezoekers waren buitenlanders, veel Nederlanders ook. De Belgen waren niet erg in Permeke geïnteresseerd, en de lokale bevolking al helemaal niet – die bezocht het museum alleen op de dagen dat de toegang gratis was.

We luisterden verbaasd. Overdreef hij niet? In Brussel was in 2012 nog een overzichtstentoonstelling van Permeke geweest. Maar voor deze middag had hij in ieder geval gelijk: er kwam nog één stelletje binnen – Belgen overigens.

De portier annex kassier werd steeds mededeelzamer. Hij wist nog een saillante anekdote over het schilderij van Permeke in de hal: Jabbeke in 1940. Hij had het verhaal uit goede bron vernomen. Zagen we die kleine, bijna weggeschilderde gestalte tussen de Duitse soldaten? Wisten we wat die deed? We keken scherp, maar konden niets onderscheiden: de expressionistische doeken van Permeke zijn vaak nogal donker. Die man stond te pissen! Op die manier had Permeke de Duitse bezetter willen pesten.

Toen konden we het museum in. Er hing maar een deel van zijn schilderijen – de rest is in depot of in museum Mu.Zee in Oostende. Maar dit was wél het huis De Vier Winden, dat Permeke hier in 1929 zelf ontworpen had en waarin hij tot zijn dood had gewerkt en gewoond, samen met zijn vrouw Marie en (vroeger) hun kinderen. In zijn atelier liggen nog zijn penselen en kwasten, alsof de schilder net even is opgestaan.

We bleven lang kijken naar zijn aangrijpende schilderij Het afscheid. Een man zit naast een bed waarop een liggende vrouw een klein kruis vasthoudt. De vrouw is wit geschilderd, de man donker, alsof hij bijna verdwenen is in zijn verdriet. Permeke schilderde het in 1948 kort na de dood van zijn vrouw.

Geen Belgisch, maar universeel verdriet.