Terugfluiten van haantjes is niet makkelijk bij de politie

Verwachtingen

Waarom is er zo’n negatief beeld van de politie? Onderzoeker Gabriël van den Brink sprak met 83 agenten. Hij kwam tot de conclusie dat we vooral anders naar agenten zijn gaan kijken. Ze moeten dienstbaar zijn én gezag uitstralen. En dat wringt.

©

‘Jongens ga weg bij die roltrap want mensen hebben er last van.’ De agent vroeg het eerst netjes, met respect, „alles erop en eraan”. Maar de jongens bleven terugkomen. En weer, en weer. En toen zei de agent tegen een van hen: ‘Je moet eens achter je kijken’. De jongen draaide zich om en de agent gaf hem een schop en nog een en nog een. „Nou, ik denk wel tien keer”, vertelt de agent, anoniem. De jongen ging weg en bleef weg. De agent wist meteen: dit had hij beter niet kunnen doen. „Maar soms ben je getergd.”

Agenten gaan weleens over de schreef, dat is op straat haast onvermijdelijk. Punt is, zegt Gabriël van den Brink, emeritus hoogleraar maatschappelijke bestuurskunde, of agenten zich daarvan rekenschap geven. Zijn ze bereid tot reflectie op hun gedrag? Van den Brink en zijn collega’s voerden daartoe gesprekken met 83 Nederlandse agenten. Vandaag neemt korpschef Erik Akerboom het onderzoek naar ‘morele weerbaarheid’ in ontvangst.

De agenten vertelden over „testosteronnerige” collega’s, de „cowboys”, die zich snel uit de tent lieten lokken. Over collega’s van „de praatpolitie” die juist té amicaal werden of te lang met slachtoffers bezig bleven. Collega’s die bij een arrestatie de wapenstok van een ander vastpakten omdat ze vonden dat die te hardhandig optrad. Collega’s die na jaren op straat cynisch waren geworden, anderen wier verantwoordelijkheidsgevoel juist was gegroeid.

Verwachtingen zijn hoog

Agenten heb je in vele gedaanten. Maar wat Van den Brink vooral opviel: de meeste agenten konden best reflecteren op de morele kanten van hun werk. Méér dan je als kritische, krantenlezende burger zou denken.

Maar als er zo veel moreel besef is, waarom bestaat er dan zo’n negatief beeld van de politie? Corruptie, discriminatie, twijfelachtig optreden: in de ogen van veel burgers kan de politie weinig goeds doen.

Verwachtingen over de politie zijn hoog en dat is ook nodig, zegt Van den Brink: er is maar één politie, één geweldsmonopolie. Die verwachtingen zijn de afgelopen decennia ook hoger gewórden. Het gedrag van de politie kwam onder een vergrootglas te liggen doordat onze morele normen omhoog zijn gegaan.

In de jaren vijftig was de burger niet zo kritisch over oom agent. De politie was er ter bestrijding van het kwaad en om dat doel te dienen was fors geweld geoorloofd terwijl de burger er weinig toe deed. Dat veranderde in de jaren zestig, toen de samenleving veel vrijer werd. De politie bleef eerst hard optreden, zoals tegen de provo’s, maar dat werkte niet meer. Ze raakte op die manier haar gezag kwijt, er trad een verwijdering tussen politie en burgers op.

Pas in de jaren zeventig, zegt Van den Brink, kon die kloof worden gedicht. De politie zocht aansluiting bij de bevolking en stelde zich meer dienstbaar op. ‘De politie als je beste vriend’. Het gevolg daarvan was dat handhavend optreden minder populair werd. Dat paste ook bij de tijdgeest van de jaren tachtig en negentig toen een liberale houding dominant werd. Zelfstandige burgers maakten zelf wel uit wat goed en kwaad was, zo werd gedacht. Die hebben geen behoefte aan een politie die hen aanspreekt op hun gedrag.

Maar rond de millenniumwisseling sloeg dat klimaat om. Burgers kregen genoeg van andermans amoreel gedrag. We zijn niet alleen op de wereld, mensen leven niet alleen voor zichzelf, zegt Van den Brink. Die liberale periode liep ten einde en de aandacht voor moraal maakte een renaissance door. Eerst werd nog lacherig gedaan over het CDA met zijn normen en waarden, maar het zette door. Bedrijven werden aangesproken op hun morele waarden en velen accepteerden niet langer dat anderen de regels aan de laars lapten. Burgers wilden dat de politie harder ging optreden.

Hulp bieden én handhaven

Sindsdien, zegt Van den Brink, benadrukt de politie haar dubbele opdracht: hulp bieden én handhaven. Waakzaam én dienstbaar. Onze verwachtingen zijn wellicht hoger dan in een land als Frankrijk, waar de politie eerder vijandig tegenover de bevolking staat. En misschien wel té hoog. Want zo’n dubbele taak kan tot spanningen en morele dilemma’s leiden. Wanneer straal je gezag uit en wanneer onderhoud je een goede relatie met burgers? Veel klachten over politieoptreden komen hieruit voort, zegt Van den Brink. Filmpjes van agenten die in de ogen van burgers te zwak ingrijpen of juist nodeloos geweld gebruiken, agenten die ‘zomaar’ iemand aanhouden.

Die toegenomen gevoeligheid voor amoreel gedrag zorgde in de hele samenleving voor nieuwe problemen. Denk aan het schoolplein. „In mijn jeugd”, zegt Van den Brink, „werd elke dag op het schoolplein gevochten. Nu word je daarvoor naar de Riagg gestuurd.” Ander voorbeeld: kindermishandeling. „Het aantal meldingen daarvan is sinds de jaren zeventig vertienvoudigd. Zou het echt zijn toegenomen?”

Van den Brink wil het gedrag van agenten die over de schreef gaan niet bagatelliseren. Vooral intern heeft de politie problemen, laat het onderzoek zien. „Het lijkt wel alsof we er binnen de organisatie hele andere normen op nahouden dan daarbuiten”, zei een agent. Aanspreken op elkaars gedrag is moeilijk. Dat komt omdat collegialiteit in de politiecultuur van groot belang is – je moet elkaar kunnen vertrouwen op straat. Ook is de cultuur nog altijd hiërarchisch van aard: bij een leidinggevende stort je niet snel je hart uit.

Maar zijn corruptie en onredelijke bejegening door agenten echt toegenomen? Van den Brink vraagt het zich af. Burgers, denkt hij, zijn vooral anders naar de politie gaan kijken.