‘Ik moet hem om de dag openschroeven om hem te wassen’

Wilfried de Jong interviewt Hermine Deurloo (50) over haar liefde voor de mondharmonica.

Wilfried de Jong interviewt Hermine Deurloo over haar mondharmonica. Foto Merlijn Doomernik

Haar bescheiden instrument wordt door haar handen grotendeels aan het zicht onttrokken. Hermine Deurloo (50) toerde met het Willem Breuker Kollektief, speelde met het Metropole Orkest en jamde met de funkmasters van Snarky Puppy. Over de liefde voor een mondharmonica.

Overal harmonica’s

Op haar etage in Amsterdam slingeren overal harmonica’s. Allemaal van het merk Hohner. Hermine Deurloo pakt de nieuwste en blaast erop, van lage tonen naar hoog en weer terug.

„Een harmonica heeft best een indringend geluid. Ik vind het niet eentonig. Je kunt er je eigen klank op maken, het is net zo persoonlijk als een stem. Je keel, eigenlijk je hele hoofd, is een soort klankkast en dat bepaalt hoe het instrument klinkt. Op een mondharmonica moet je voortdurend in- en uitademen. Bij bepaalde toonsoorten inhaleer je meer. Doe je dat te lang dan ga je hyperventileren en kun je duizelig worden. Toen ik begon had ik dat wel eens. Nu is spelen een automatisme geworden. Ik kan de hele dag door. Fijne bijkomstigheid: al dat in- en uitademen is gezond.”

De firma Hohner vond in 1830 de eerste harmonica uit, een klein model met maar één toonladder. Voor iedere toonsoort – twaalf in totaal – moest je een andere harmonica pakken. „Dat was een diatonische harmonica. In 1910 kwam de chromatische, daar speel ik op. Door een knopje aan de zijkant in te drukken, schuif je een vakje deels dicht. Dan hoor je een halve noot hoger. Door het in- en uitademen en in combinatie met dat knopje zitten er in feite vier noten achter ieder vakje. Als je de chromatische harmonica met een piano vergelijkt, kun je over drie octaven alle zwarte- en witte toetsen spelen.”

Weggooien doe ik mijn houten harmonica’s nooit. Daar ben ik romantisch in.

De binnenkant van de Hohner is gemaakt van hout. In de ‘body’ liggen dunne toonplaatjes die als stalen tongetjes heen en weer bewegen. Het geeft de harmonica dat typische, zangerige geluid. „Als je veel speelt, worden die plaatjes metaalmoe. Ook komt er vocht in de harmonica waardoor het hout gaat werken. Dan wordt hij vals. Door voorzichtig op die plaatjes te krassen, kun je ze stemmen, maar na een jaar ongeveer is het afgelopen en moet je verder op een nieuwe. Dat is jammer.”

Mondharmonica van Hermine Derloo.

Mondharmonica van Hermine Derloo. Foto Merlijn Doomernik

Deurloo pakt een afdankertje en houdt een lage G aan: „Hoor je die dubbele noot? Klinkt gruizig. Er lekt lucht tussen de plaatjes. Weggooien doe ik mijn houten harmonica’s nooit. Daar ben ik romantisch in. Bovendien ben ik bang dat de fabriek van Hohner ooit definitief overgaat op kunststof. Misschien is het suggestie, maar ik vind hout mooier klinken.”

Herinnering aan Toots

Ze pakt haar lievelingsharmonica – een Toots Mellow Tone – en blaast een snelle reeks noten. „Klinkt helder, hè? De toonplaatjes van deze zijn extra dun en buigen makkelijker. Hij is vernoemd naar Toots Thielemans. Toots maakte de harmonica tot een volwaardig instrument. Hij speelde in de jaren 50 al moeiteloos mee met grote namen uit de jazzwereld. Ik heb één keer met hem opgetreden, in 2000. Toots kon heel filmisch klinken maar ook superwild, super-freaky. Ik sprak hem vaak. Hij zei dat ik een prachtige klank had had, en dat ik meer bebop licks moest oefenen, zoals saxofonist Charlie Parker deed. Extreem snelle sprongen maken. Dat ben ik meteen gaan doen.”

Haar mond is vergroeid met de Hohner. Met haar lippen glijdt Hermine zonder na te denken naar de juiste vakjes. Dat zoeven over de harmonica heeft één klein nadeel: „Rotzooi zoals lippenstift gaat meteen in het binnenwerk zitten, daarna kun je hem weggooien. Ik moet de harmonica sowieso om de dag openschroeven om hem te wassen. Met water en zeep. En ontsmetten met Sterilon.”

„Zie je die witte dingetjes op het hout? Dat zijn afdekplaatjes. Als de ene noot klinkt, sluit dat plaatje de andere noot af. Anders krijg je dat luchtlekken. De afdekplaatjes zijn heel dun en kwetsbaar. Ik speelde een solo met een orkest in Italië. Voor één noot moest ik heel lang inhaleren en toen schoot er iets in mijn keel. Ik wist het meteen: een afdekplaatje. Ik moest hem doorslikken, want spugen op toneel kan natuurlijk niet, tenzij je Patti Smith bent. En daarna doorspelen alsof er niets aan de hand was.”