Water is water, dachten we

Aflevering 10 en slot van een zomerse serie reportages door heel Nederland: natuurgebied De Brand bij Udenhout. “De bloemen, koetjes bij een poel, slootkanten, plukjes bos en boerenzwaluwen ademen de negentiende eeuw, of wat we ons daarbij nu voorstellen.”

Foto Rien Zilvold

Voor een ‘rustende jager’ is dit niet het goede seizoen, maar op het terras van deze uitspanning pellen al vroeg wielrennende 60-plussers een banaantje, tussen Brabantse huisvrouwen in trimlycra en allerhande dagjesvolk. Ze komen voor de buitenlucht van Nationaal Park De Loonse en Drunense Duinen, dat hier pal achter de dennen begint. Voor de 650 hectare bos en weiden van natuurgebied De Brand die je van hieruit ook kunt zien, hebben ze geen oog.

030916ZAT_DeBrand_IG44

Niet zo gek; dit is een weinig opmerkelijk landschap. Eerlijk gezegd: precies wat er in je opkomt wanneer je als niet-Brabander aan Brabant denkt. Niet-zo-oude-boerderijen met een trampoline in de tuin en een paardenbak, velden waar de mais hoog staat, en af en toe een vleugje varkens.

Maar zulke clichés – het oog is gemakzuchtig – vervliegen als Martijn Fliervoet je bij de hand neemt. Want na het inslaan van een zijpad van de verharde weg, loop je door een nieuwe wereld. Op het pad duiken groene en bruine kikkertjes door het gras voor je schoenen weg en doen nog even de schoolslag in een plas. Stelletjes libelles, elkaar in innige klem, werpen eitjes af in stilstaand water. Een blauwe flits in je ooghoek – daar ging een ijsvogel. Hoe beter je kijkt, hoe meer je ziet.

Maar eerst zoomt Fliervoet, als districtbeheerder en rentmeester al twintig jaar verbonden aan het Brabants Landschap, nog even uit. Naar de laatste IJstijd, toen de Drunense Duinen hier op de wind neerstreken en de afwatering bemoeilijkten. Zo ontstond een veenmoeras, dat in de Middeleeuwen werd afgegraven om er brandstof van te maken. En zo kreeg De Brand zijn naam. Alles wat je nu ziet is door mensenhanden gemaakt. In Nederland is de meeste natuur ook gewoon cultuurlandschap.

Hij pakt er een paar kaarten bij. Een met hoogtemetingen waarop je precies ziet waar de diepere, natte delen van De Brand liggen en waar de hogergelegen drogere delen.

Dan een militair kaartblad uit 1850 waar ‘Den Brand’ nog een boerderij is aan de ‘Zandkant’, met ‘Den Hemelschen Hoef’ en ‘De Knijperij’ als buren.

Je kunt er ook goed op zien wat dit tot een zeldzame ‘boshoeve-ontginningslandschap’ maakt, zoals het officieel heet: boerderijen met lange smalle kavels erachter en kaarsrechte paden die ‘stegen’ heten en doorlopen tot in de duinen. Logisch: vlak achter de boerderij was een moestuin, daarachter akkertjes en het bos waarin het vee graasde – niet in de weiden, die moesten het gras als veevoer voor de winter leveren – en de duinen tenslotte waren voor heideplaggen en de schapen. Aan, en van, elke kavel leefde een groot Brabants gezin.

En dan is er een derde kaart, van ingenieursbureau Royal Haskoning DMV, een ‘maatregelenkaart’, opgesteld in opdracht van het Brabants Landschap en het waterschap. Daarop is te zien waar sloten gedempt moeten worden en stuwen aangebracht of verwijderd. Er is sprake van ‘leemdrempels’ en het ‘verlagen van het maaiveld’. Die kaart laat tot in detail zien hoe maakbaar wij onze natuur willen hebben.

Het probleem is al decennia helder: De Brand is te droog, door landbouw en grondwaterwinning, en moet natter worden. Goed voor de kikker en andere amfibieën. Goed ook voor de zeldzame blauwe zegge en het tere guichelheil (een medicinaal plantje waarvan alleen de naam al helpt tegen geestesziekte en melancholie).

Sloten dichtzetten, zodat ze water vasthouden, leek de oplossing. „Water is water, dachten we jarenlang”, zegt Fliervoet. „Dat bleek verkeerd gedacht.” Want het land werd weliswaar natter maar de gewenste natuur ging achteruit. Intussen is er het voortschrijdend inzicht dat sloten het verkeerde water vasthielden: vooral regenwater, en dat is een beetje zuur, hoewel nu veel minder dan in de hoogtijdagen van de zure regen. Door al dat niet-afgevoerde water werd het goede water, kalkrijk grond- en kwelwater als het ware weggedrukt.

Dat is nu deels opgelost. Op de derde landkaart is de slotfase van het project te zien. Daarin wordt een grote, rechte watergang, die in 1965 is gegraven en water van de Tilburgse rioolzuivering door het gebied voert, gedempt en via een dubbele bypass rond De Brand geleid. Dan gaat in een groter deel van het gebied de grondwaterstand omhoog. Een tweede gevolg is dat de grond er schraler wordt – in dat gezuiverde rioolwater zit nog teveel voedsel, waardoor planten die het van schrale grond moeten hebben. Anders verliezen ze het van mestlievende bramen en riet.

„Ik vrees wel een beetje voor die eiken”, zegt Fliervoet, terwijl hij naar een stukje bos wijst. „Die bomen hebben jaren nodig om zich aan een nieuwe grondwaterstand aan te passen. Het is mogelijk dat ze nu verdrinken.”

Want ook dat is natuur in Nederland: kiezen tussen de ene en de andere natuur. Hij kan nog wel een beetje finetunen, door een paar stuwen een beetje meer open of dicht te zetten. „Het is natuur aan het infuus.”

We slaan nog een zijpad in en komen op een natte weide tussen bomen. Er staat een paal voor een ooievaarsnest, maar dat is dit jaar leeg gebleven. Oók goed voor de kikkers.

De Brand is een landschap van „groene kamertjes”, zegt Fliervoet, dat we te danken hebben aan eeuwenlang boeren. De bloemen, koetjes bij een poel, slootkanten, plukjes bos en boerenzwaluwen ademen de negentiende eeuw, of wat we ons daarbij nu voorstellen. „Dat is de landschapsvariant die we hier al dertig jaar nastreven”, zegt Fliervoet. Het is werk van lange adem. „Als ik het niet af krijg doet mijn opvolger het.”