‘Vrouwen denken dat ze er goed uitzien in zwart, maar dat is bijna nooit zo’

Dat zegt hét Nederlandse modetalent van dit moment: ontwerper Sander Lak. Hij werkte jarenlang bij beroemde modehuizen en heeft nu zijn eigen label: Sies Marjan.

Modewontwerper Sander Lak begint zijn collectie met een kleurkaart zonder zwart Foto Chantal Heijnen

Zijn moeder schrok een beetje, toen Sander Lak haar vertelde dat hij zijn vrouwenmodemerk Sies Marjan had genoemd. Sies was zijn vader, die in 1991 overleed, zij heet Marjan „Ik vond het een mooi en persoonlijk eerbetoon aan de mensen die mij hebben gemaakt”, zegt Lak (33). „En het klinkt goed. Maar zij dacht dat er iets van haar werd verwacht. ‘Moet ik daar dan ook zijn?’, vroeg ze. Nu is ze natuurlijk trots.”

Je kunt je van alles voorstellen bij een atelier van een beginnend modemerk. Maar niet wat je aantreft bij Sies Marjan, gevestigd op de derde verdieping van een kantoorgebouw in het garment district in New York. Een lichte, smaakvolle receptie met leren bank, tijdschriften, imitatie Mies van der Rohe-stoelen, kunst en planten. Een vergaderruimte, een keuken met een lange eettafel, fotogenieke zithoekjes, een lange kast met kunst- en modeboeken. En vooral: een heel groot atelier.

Deze vrijdag in mei is voor veel mensen een vrije dag in New York, maar hier wordt hard gewerkt aan de tweede collectie, die in september wordt geshowd. Bij Sies Marjan – dat je overigens niet op z’n Nederlands moet uitspreken, het is ‘Sies Marsján’ – zijn dertig man in dienst. Een hoop bekendere modemerken doen het met minder.

Ik begin een collectie altijd met een kleurkaart - zonder zwart.

Sies Marjan is „100 procent mijn visie”, zegt Lak. Maar hij doet het niet alleen: het bedrijf wordt gefinancierd door het Amerikaanse miljardairs-echtpaar Nancy en Howard Marks, Lak is in dienst als creatief directeur. Vroeger was het echtpaar eigenaar van het Amerikaanse couturehuis Ralph Rucci, dat gevestigd was in dezelfde ruimte. Lak kreeg ruim een jaar de tijd om het bedrijf op te zetten. In het najaar van 2014 nam hij na vier jaar ontslag als ontwerper bij Dries Van Noten, in februari debuteerde Sies Marjan tijdens New York Fashion Week, met een elegante en tegelijk coole vrouwencollectie in uitgesproken en ongewone kleurcombinaties, zoals zachtgeel en feloranje, en camel en oudroze.

„Ik ben heel kleurgevoelig”, zegt Lak, die vandaag gekleed is in een roze overhemd met een felrood voorpand en een bordeauxrode broek. „Ik begin een collectie altijd met een kleurkaart – zonder zwart. Vrouwen denken dat ze er goed uitzien in zwart, maar dat is bijna nooit zo. Ik wil ook niet dat de mensen die hier werken het dragen.”

Schaamte voor ambitie? Dat is iets achterlijk Nederlands

De collectie een succes noemen, is een understatement. Journalisten van Vogue en The New York Times riepen de show uit tot een van de hoogtepunten van de modeweek, de chique Amerikaanse warenhuisketen Barneys kocht de collectie nog vóór de show in, 37 andere winkels volgden, waaronder de Bijenkorf in Nederland.

De ontwerper woonde de afgelopen tien jaar in Londen, Parijs, Antwerpen en New York. In die laatste stad voelt hij zich het meest thuis, iets wat aan zijn accent is te horen. „Ik ben altijd bezig met de volgende stap. En ik schaam mij niet voor mijn ambitie – ik vind het iets achterlijk Nederlands om dat wel te doen. Bovendien komen de mensen hier uit verschillende landen, net als ik eigenlijk. Dit is voor mij de meest logische stad om te wonen.”

Lak is geboren in Brunei, waar zijn vader voor Shell werkte. Daarna woonde het gezin achtereenvolgens in Maleisië, Gabon en Schotland. Toen zijn vader plotseling overleed, verhuisde zijn moeder met haar drie zoons – Lak is de middelste – naar Vught.

Ontwerpen uit de najaarscollectie van Sander Lak, foto Sies Marjan

Het was zijn droom om regisseur te worden. Twee jaar voordat Lak eindexamen havo deed, meldde hij zich aan op de filmacademie. „De middelbare school was een nachtmerrie voor mij. Ik vond het vreselijk om jaren vast te zitten aan dezelfde mensen, dezelfde leraren, dezelfde fietstocht, de kleinschaligheid van Brabant. Ik heb gesprekken gehad op de filmacademie, maar ze zeiden: ‘Kom over vijf jaar maar terug’.”

Naast film was hij geïnteresseerd in mode. Na zijn eindexamen ging hij naar de modeafdeling van de kunstacademie in Arnhem, met als plan zo snel mogelijk over te stappen naar de filmacademie. „Na een half jaar besefte ik dat ik op de juiste plek zat.”

Als je geen kritiek kreeg, interesseerde je haar gewoon niet.

Niets was zo hard als Louise Wilson

Dankzij een beurs van het Fonds BKVB (nu Mondriaan Fonds) kon hij een masteropleiding doen aan het beroemde Central Saint Martins College of Art and Design in Londen. „De beste mode-opleiding die er is”, zegt hij. „Ik kies altijd voor het beste. Ik heb nooit een plan B. Als je een plan B hebt, sluit je compromissen.” Het hoofd van de opleiding, de legendarische Louise Wilson (die in 2014 is overleden) stond bekend om haar harde aanpak. Tegen Lak zei ze aanvankelijk dat ze zijn werk ‘afschuwelijk’ vond. Later gooide ze eens een kleerhanger naar zijn hoofd omdat hij per ongeluk de verkeerde stof had aangeschaft.

Lak: „Als je geen kritiek kreeg, interesseerde je haar gewoon niet. Het was een goede voorbereiding. Hoe hard de mode-industrie ook kan zijn, niets was zo hard als Louise Wilson. Bij Balmain werkten we een keer vier dagen zonder te slapen aan een collectie. Ik dacht: ze gooien tenminste geen hanger naar me.”

Balmain was zijn tweede werkgever. Hij had de toenmalige hoofdontwerper op straat aangesproken en op diens verzoek zijn portfolio in de winkel achtergelaten. Toen hij werd gebeld, was hij aan het werk bij Philip Lim in New York, de stad waar op dat moment de financiële crisis begon en paniek uitbrak.

Bij Philip Lim ontwierp Lak voor het allereerst vrouwenmode; daarvoor was hij alleen geïnteresseerd in mannenkleding. „Veel kanten van de vrouwenmode vind ik nog steeds niet leuk”, zegt hij. „De rode loper, de glamour. Het heeft niets te maken met de kracht en intelligentie van wat we hier doen. Wij krijgen nu ook verzoeken om jurken uit te lenen aan actrices en je kunt niet tegen alles nee zeggen. Als Jennifer Lawrence iets draagt, heeft dat een enorm effect.”

Ontwerpen uit de najaarscollectie van Sander Lak

Fuck it, we zijn de nieuwe generatie

Een eigen merk is altijd zijn doel geweest. Toen Lak een paar jaar geleden serieus onderzocht hoe hij dat zou moeten aanpakken, was de uitkomst „niet zo leuk”. „Vanuit Nederland of Antwerpen had ik dat klein moeten opzetten. Ik ben natuurlijk verwend geraakt: de beste modellen, de beste shows, de beste materialen. Bij Balmain maakten we proefmodellen van echt krokodillenleer.” ‘Dan maar weer ergens in dienst’, begon hij te denken.

Maar in de zomer van 2014 werd hij gebeld door Joey Laurenti, de CEO van Ralph Rucci. Die was aanvankelijk op zoek naar een creatief directeur om Rucci te vervangen. Hij en Lak – „we zijn even oud en het klikte meteen” – waren het snel eens dat ze „geen oude koeien uit de sloot wilden halen”. „De gedachte was: fuck it, we zijn de nieuwe generatie, laten we op de ruïnes iets nieuws bouwen. Er was een ruimte, er waren patroonmakers en een atelier op haute-coutureniveau – zo goed was het bij Balmain niet eens. Met dat plan zijn we naar Howard en Nancy [Marks] gegaan.”

Een inspiratie of een muze hebben, vind ik oubollig

Meer dan met het ontwerpen van een collectie was Lak een jaar bezig met de structuur van het bedrijf: „Wie houden we, wie halen we binnen? Hoe wil ik als baas functioneren? Ik heb daar veel plezier aan beleefd, al moest ik eraan wennen om te delegeren.”

Zes jaar ontwierp Lak in het handschrift van anderen. Hoeveel van de stijl van Philip Lim, Balmain en Dries Van Noten zit er nu in zijn eigen merk? En andersom: hoeveel van hem zat er in de collecties van die werkgevers? Op dat laatste geeft hij geen antwoord: „Ik wil ook niet dat de mensen in mijn team daarmee naar buiten komen. Ik heb bij allemaal geleerd en dingen meegenomen.”

Inspiratiebronnen en muzes zijn oubollig

Vraag Lak vooral niet naar zijn inspiratiebronnen: „Dat vind ik het oubolligste wat er is: een inspiratie, of een muze.” Ja, zegt hij, de stijl van de jaren negentig is terug te zien in zijn collectie. „Grunge is voor mij de mooiste periode, en dat zal altijd zo blijven. Dat betekent niet dat ik Kurt [Cobain] en Courtney [Love] in mijn hoofd heb en daar een verhaal omheen bedenk. Ontwerpen moeten voor mij vooral natuurlijk komen en gemakkelijk te dragen zijn. Heel strakke kleren of heel hoge hakken vind ik debiel. We zijn ook niet bezig met seizoenen. In elke collectie gebruiken we dikke en dunne stoffen door elkaar.”

Ten tijde van het gesprek duurt het nog een paar maanden voordat zijn collectie in de winkel ligt. De harde realiteit is dat veel vrouwen die designermode kopen boven de vijftig zijn – voor jonge ontwerpers soms een deceptie. Voor Lak niet: „Elke klant is voor mij de móóie realiteit, zegt hij een beetje verontwaardigd. Het maakt mij niet uit of het een vriendin van mij is, of van mijn moeder.”

Ontwerpen uit de najaarscollectie van Sander Lak