Trots bewaarde ze haar schatten

Titia Frima (1935-2016), zangpedagoog, wilde graag dat alles bleef zoals het was. Ze bezat twee villa’s vol spullen waarvoor ze een nieuw thuis zocht.

Titia Frima met (links) haar laatste honden Bianca en Trip. Foto links: Martin Paus

Je ruikt het al in de vooroorlogse keuken, waar ze koffie zette op het petroleumstel: hier is strijd geleverd met de tijd, en de tijd heeft verloren. Haar vaders bureau staat nog in zijn werkkamer zoals toen hij in 1969 overleed. Achter op een deur hangt een witte jas van haar moeder, die apotheker was. Tot twee jaar geleden stookte ze kolen. Centrale verwarming kwam er niet in want dan moest de canapé worden verschoven.

Naast de tuindeuren staat de fauteuil waar zanglerares Titia Frima altijd zat, „voor op haar stoel, vorstelijk met rechte rug, haar haren hoog op het achterhoofd bijeengebonden”, schrijft oud-leerling en schrijver Arthur Japin in zijn dagboek (Zoals dat gaat met wonderen) na een bezoek in 2003. Het chocoladebruine behang heeft scheurtjes en kale plekken, net als stoelzittingen, vloerkleden en de loper op de smalle trap. Maar het is geen verwaarloosd huis. Er is precisie en trots in hoe alles staat en hangt. Het is liefdevolle slijtage.

Vrijwel haar hele leven woonde Titia Frima in de villa aan de Hilversumse Graaf Florislaan. Haar vader, chemicus en jurist Piet Frima, had begin jaren twintig twee huizen verderop de Modelpolitievakschool opgezet, de eerste politieopleiding van Nederland. Ze groeide op tussen jaarlijks wisselende groepen jongens; in de fotoalbums zitten familie-uitstapjes en schoolexcursies door elkaar heen. Zij en haar oudere zus Hermanna (‘Menti’) adoreerden hun vader, die van goochelen hield en hun brieven met rebussen stuurde. Hij wist alles van sluitwerk, kluizen, dactyloscopie, gaf les daarover. Na zijn pensioen kocht hij met zijn vrouw een apotheek en bracht hij de medicijnen rond.

Titia had zangtalent. Ze studeerde in Engeland, Rome, maar haar loopbaan strandde op heimwee, zo vertelde ze mensen later. Ze was misschien ook te gevoelig, romantisch, niet werelds genoeg voor een bestaan als operadiva. Na haar terugkeer gaf ze alleen nog huiskamerrecitals en ging zangles geven op de Kleinkunstacademie, op een ouderwets gedegen manier. Als de dictie niet goed was moest een lied al na twee zinnen opnieuw. Oud-leerlingen bleef ze volgen. Jaren na hun laatste contact kreeg Arthur Japin een bestraffend telefoontje omdat hij in een column had geschreven dat Bach hem niets deed.

Het huis werd met de jaren meer en meer een bewaarplaats. Piet Frima nam bij zijn vertrek van de politieschool de bibliotheek mee. Hij verzamelde van alles: sloten en sleutels, pistolen. Een fors deel van de inboedel van de Groningse borg Verhildersum, een eeuw lang familiebezit, was verspreid over het huis. Ook het archief van zijn tante Titia van der Tuuk, de feministische schrijfster naar wie zijn jongste dochter was vernoemd, had onderdak gekregen.

De zussen kochten een tweede villa, aan de overkant. Menti, lerares in Dordrecht, ging er wonen na haar pensioen en een deel van de spullen verhuisde mee. Het werd een missie van de zussen, beiden ongetrouwd en kinderloos, die spullen over te dragen zodat ze bewaard zouden blijven en tot hun recht zouden komen als zij er niet meer waren. Wonderwel slaagden ze erin mensen te mobiliseren die daar óók belang in stelden – tot een hervonden achterneef aan toe.

Mensen raakten onder de indruk van de eerbied waarmee ze alles koesterden. „De bibliotheek van haar vader was een schat op zolder”, zegt Cyrille Fijnaut, emeritus hoogleraar strafrecht. Bij zijn eerste bezoek, een soort screening, kreeg hij geen boek te zien – die moesten eerst worden afgestoft en uitgestald op tafels. Fijnaut zorgde met anderen dat de collectie een passende plek kreeg in een kasteeltje van de politieacademie. Kunsthistoricus Peter Don van de rijksdienst voor cultureel erfgoed hielp met het ordenen van de slotencollectie, het familiearchief en nog veel meer, tot hij zelfs werd geraadpleegd over de kwaaltjes van honden Bianca en Trip en de toestand van de Rover.

Titia Frima was niet makkelijk. Alles moest op háár manier. Ze kon mensen afstoten, al kwamen ze meestal weer terug. Soms was ze vol zelfverwijt. „Ik had dat allemaal heel anders moeten aanpakken”, verzuchtte ze dan. Dat haar zangcarrière nooit van de grond was gekomen deed pijn en ze had graag de liefde willen kennen, getrouwd willen zijn. De plotselinge dood van haar zus in 2010 kwam ze bijna niet te boven. Het huis en alles wat ze nog moest regelen drukten op haar. De permanente angst dat de kolenkachel ’s nachts uit zou gaan deed haar uiteindelijk zwichten voor cv.

Voor haar vele bezoekers was er onverdeelde aandacht, een glas wijn, een goed gesprek. En nieuwsgierigheid, humor, bezieling. Als zij gedichten voordroeg kon je ze voelen, zegt oud-leerling en zangeres Patty Trossèl, met wie ze ooit graag componeerde. Ook toen ze vorig jaar leukemie kreeg bleef ze zingen als ze kon. Dan leefde ze op. Muziek bracht haar in de buurt van geluk.