Op weg naar de col der verschrikkingen

Ronde van Spanje

Voor het eerst in de historie van de Vuelta ligt de aankomst zaterdag op de top van de Col d’Aubisque. De apotheose van een ‘Pyreneeënkraker’.

Door de Franse Pyreneeën naar de Aubisque

Bijna de helft van alle aankomsten bergop, loodzwaar klauterwerk op de steile muren van Ézaro of Camperona. Maar nog is het voor Vuelta-directeur Javier Guillén en zijn wedstrijdleider en oud-prof Fernando Escartin niet genoeg. De Ronde van Spanje zoekt zaterdag het ultieme klimspektakel in Frankrijk. Dan volgt een monsterlijke etappe van bijna 200 kilometer door de Pyreneeën, met meer dan vierduizend hoogtemeters in totaal en vier zware beklimmingen, inclusief de aankomst op de gevreesde Col d’Aubisque. Bekend van de Tour de France, en nu voor het eerst in de historie ook scherprechter in de Vuelta.

Na de twaalfde rit van donderdag, gewonnen door de Belg Jens Keukelaere, oogt de etappe van vrijdag al lastig. Constant op en af, liefst zeven colletjes van tweede of derde categorie. Het is nog heilig bij wat de renners dit weekeinde te wachten staat. Gevleugelde klimmers als klassementsleider Nairo Quintana, zijn Colombiaanse landgenoot Esteban Chaves en de Spaanse publiekslieveling Alberto Contador kunnen hun hart ophalen. Zijn Tourwinnaar Chris Froome en de onvermoeibare routinier Alejandro Valverde, bezig aan zijn derde grote ronde van dit jaar, sterk genoeg om de strijd aan te gaan? Na de Pyreneeënkraker van zaterdag volgt zondag ook nog eens een gevaarlijke korte rit (120 kilometer) met twee cols onderweg en aankomst op 1.790 meter in het skistation Aramón Formigal. Wie zondagavond de rode leiderstrui draagt, maakt een goede kans om een week later in Madrid de 71ste Vuelta te winnen.

Vooral de Pyreneeënrit van zaterdag, met het ‘debuut’ van de Col d’Aubisque, spreekt op voorhand tot de verbeelding. Zelfs in de Tour de France was de ‘col der verschrikkingen’ pas twee keer aankomstplaats. In 1985 won de Ierse debutant Stephen Roche, na een korte etappe die vooral bekend werd om de helpende hand die de Colombiaanse klimgeit Lucho Herrera toestak aan de bij hoge uitzondering in moeilijkheden verkerende Franse geletruidrager Bernard Hinault. In ruil daarvoor mocht ‘de kleine tuinman’ dat jaar de bergtrui winnen.

Streep door de winnaar

Ook de tweede Touraankomst op de Aubisque was memorabel, al is het maar omdat organisator ASO in de officiële uitslagenlijst een streepje door de naam van de winnaar heeft gezet. Michael Rasmussen maakte dat jaar op de 1.710 meter top van de Pyreneeëncol het werk van zijn Raboploeg prachtig af. Alberto Contador verslagen, ritwinst in de gele trui, de eindzege voor het oprapen. Maar een paar uur later, beneden in het teamhotel in Pau, zette directeur Theo de Rooij zijn Deense kopman uit de Tour. Leugens over zijn verblijfplaats, om dopegebruik te verhullen, werden Rasmussen uiteindelijk fataal.

Liefst 69 keer was er in de Tour een doorkomst op de Aubisque. Tussen Octave Lapize in 1910 en Thomas Voeckler in 2012 kwamen de groten hier als eerste boven. De Italiaanse ‘campionissimi’ Gino Bartali en Fausto Coppi, de Spaanse toppers Federico Bahamontes en Miguel Indurain, klimgeiten Charly Gaul en Lucien Van Impe, en als enige Nederlander Hennie Kuiper. Legendarisch is ook de val in het ravijn van Wim van Est tijdens de afdaling in 1951: „Zeventig meter viel ik diep, mijn hart stond stil maar mijn Pontiac liep.”

In de Vuelta is de Col d’Aubisque (volgens het rondeboek 16,5 kilometer klimmen met een gemiddelde stijging van 7,1 procent) zaterdag de apotheose van een rit met louter steile Pyreneeëncols. Na veertig kilometer begint het met de Col Inharpu, 11,5 kilometer klimmen met een gemiddelde van 7,1 procent. Op 111,8 kilometer ligt de top van de Col du Soudet (24 kilometer lang en 5,2 procent stijging gemiddeld), op 157,7 kilometer die van de Col de Marie-Blanque (9,2 kilometer en 7,5 procent stijging).

Ook die laatste twee zijn bekend uit de Tour. Op de Marie-Blanque begon in 1987 de victorie voor de jonge Erik Breukink, die later die dag de rit won in Pau. In 2000 schitterde hier de Spanjaard Javier Otxoa onderweg naar ritwinst vóór Lance Armstrong op Hautacam. Een jaar later raakte hij blijvend gehandicapt bij een ongeluk op training waarbij zijn tweelingbroer Ricardo overleed.

Op de flanken van de Soudet legde Chris Froome in 2015 de basis voor zijn tweede Tourzege. Hij reed Quintana op 1.04 minuut. De rit van zaterdag biedt de Colombiaan genoeg kans op revanche.