Op de golfslag van de samenleving

Geert Mak

Zijn nieuwe boek over de Amsterdamse regentenfamilie Six is een vintage Mak. Met oog voor detail en sfeer sleurt het je door de eeuwen en de ‘geschiedenissen’ heen.

Historisch Nieuwsblad organiseert nu de verkiezing van ‘het beste geschiedenisboek aller tijden’. Op de website konden lezers kiezen uit 250 historische werken – variërend van Herodotus’ Historiën tot het onlangs verschenen SPQR van Mary Beard –, wat heeft geresulteerd in een voorlopige top tien, waaruit de absolute winnaar gekozen kan worden. De kans dat dit een boek van Geert Mak wordt – Hoe God verdween uit Jorwerd of De eeuw van mijn vader – is allerminst denkbeeldig; hij staat (als enige) met twee boeken in deze top tien.

Geert Mak is in Nederland zonder meer de succesvolste auteur van historische boeken, en sinds 1996 wordt elk boek dat hij publiceert een bestseller.

Het verschijnen van ‘de nieuwe Geert Mak’ is dan ook een gebeurtenis die doet denken aan de opwinding waarmee vroeger de publicatie ‘de nieuwe Mulisch’ of ‘de nieuwe Hermans’ gepaard ging. En uiteraard is er ook nu vaak sprake van een verschil in waardering bij de echte fans en een deel van de recensenten. Terwijl de laatste categorie kritisch kijkt naar de plaats van het nieuwe boek binnen het oeuvre en beoordeelt of er in dit verband sprake is van vernieuwing of verrijking, snakken de liefhebbers vooral naar ‘meer van hetzelfde’, naar dat wat hen in de eerdere boeken ook al zo beviel.

Wat dit betreft zullen de honderdduizenden fans van Geert Mak zeker niet teleurgesteld worden door De levens van Jan Six. Dit boek over de familie Six, die vanaf de vroege zeventiende eeuw tot nu tot de elite van Amsterdam behoorde en een fenomenale kunstcollectie opbouwde, is in alle opzichten een vintage Mak. De auteur heeft nog altijd een uitstekend oog voor detail en sfeer, zodat de lezer een goede indruk krijgt van het eeuwenoude huis aan de Amstel dat van kelder tot zolder is volgestouwd met kunstwerken – met als hoogtepunt uiteraard Rembrandts fenomenale portret van de eerste Jan Six – met historische voorwerpen, meubels en documenten.

©

Uit de vele, zeer uiteenlopende aantekeningen van de ‘stamvader’ diept Mak allerlei interessante opmerkingen op die een beeld schetsen van het leven van een zeventiende-eeuwse regent met belangstelling voor kunst en filosofie. Hij schenkt aandacht aan verfzakjes die heel goed van Rembrandt geweest kunnen zijn, en beschrijft indringend de indruk die sommige portretten van familieleden op hem maken.

Distantie

Mak neemt de lezer mee op zijn zoektocht naar de geschiedenis van deze familie – zoals hij de lezer eerder door Europa en de Verenigde Staten loodste – en is ook nu weer erg aanwezig in de tekst. Het tweede woord van het boek is ‘ik’ en in de 85 woorden tellende eerste alinea komt dit persoonlijk voornaamwoord nog vijfmaal voor. Niet iedereen houdt hiervan, maar bij Geert Mak is dit nu eenmaal een van zijn meest in het oog lopende stijlkenmerken. Hij vertelt op losse, familiaire toon en is beurtelings invoelend, licht ironisch en soms moraliserend.

Voor de goede orde: dat laatste is niet afkeurend bedoeld. Het valt toe te juichen dat Mak niet zonder meer in katzwijm is gevallen voor de deftigheid en immense culturele rijkdom van de familie Six – iets waar nogal wat auteurs die zich met elites bezighouden last van hebben. Hij weet een zekere distantie te bewaren en heeft ook oog voor de hebzucht, corruptie en het nepotisme van de Amsterdamse elite. Zo schrijft hij onder meer over ‘de graaicultuur van de 18e-eeuwse regenten, met hun nepfuncties en opgeblazen ambten, waarbij op dezelfde manier op de publieke sector werd geparasiteerd als in de huidige managerscultuur’.

Gelukkig is deze ‘linkse’ ergernis niet het overheersende gevoel dat opkomt bij het lezen van dit boek. Daarvoor is Mak te zeer gefascineerd door het verhaal van de familie Six, daarvoor is de geschiedenis die hij beschrijft te boeiend en te gevarieerd.

Dat hij zo’n genuanceerd en interessant verhaal kan vertellen, komt niet in de laatste plaats door de overweldigende rijkdom van het materiaal waarover hij kon beschikken. Naast de vele kunstschatten – behalve verschillende Rembrandts bezat de familie ook werken van Vermeer, Rubens, Van Dyck, Titiaan en Tintoretto – waren er ook talloze gebruiksvoorwerpen, kledingstukken die eeuwenlang bewaard zijn, en zo’n 100.000 documenten, waaronder gedichten van Vondel en brieven van George Washington.

Het verhaal van de familie Six weerspiegelt heel fraai de golfslag van de Nederlandse samenleving vanaf de late zestiende eeuw. Toen de wegens de godsdienstoorlogen uit Saint-Omer gevluchte lakenhandelaar Charles Six zich in 1586 in Amsterdam vestigde, was dit een opkomende stad die het hart zou worden van de Republiek der Verenigde Nederlanden – een jonge, dynamische natie die al spoedig zijn Gouden Eeuw zou beleven.

Heer van Hillegom

De familie was in staat geweest een deel van haar vermogen mee te nemen en begon dus bepaald niet met lege handen, maar door hard werken en slim zakendoen wist zij – vooral dankzij het krachtige optreden van schoondochter Anna Wijmer, de moeder van de eerste Jan Six – optimaal te profiteren van extreme hoogconjunctuur die het zeventiende-eeuwse Amsterdam beleefde. Niet alleen kan men vorstelijke huizen aan de grachten laten bouwen, maar al spoedig worden er ook landgoederen gekocht, waardoor men zich onder meer Heer van Hillegom mag noemen.

Omstreeks 1650 gaat de familie deel uitmaken van de Amsterdamse regentenelite, die de bestuursfuncties en lucratieve baantjes onderling verdeelde. Men meet zich een aristocratische levensstijl aan – doordat de Republiek geen ‘adelscheppende’ soeverein heeft duurte het tot begin negentiende eeuw eer men een echte adellijke titel verwerft – en probeert zich steeds meer te onderscheiden van de ‘gewone’ burgers.

Vanaf het einde van de zeventiende eeuw maakt zowel binnen de familie Six als de Republiek als geheel de dynamiek plaats voor consolidatie en behoudzucht. Ondernemingszin en oog voor de publieke zaak veranderen in rentenieren, het bewaken van eer en status, en het – vooral door berekenende huwelijken – veiligstellen van het familiebezit. In tegenstelling tot veel andere families lukte dit vrij goed, al waren er onder de Sixen af en toe ook ‘doordraaiers’, die er hele kapitalen doorjoegen.

Ook brak begin negentiende eeuw dochter Henriëtte met het huwelijksbeleid van de familie door ver beneden haar stand te trouwen, waarop zij onmiddellijk uit de familiegeschiedenis werd gegumd.

De ups and downs van de familie worden door Mak helder en uitvoerig beschreven, en dat sommige periodes minder boeiend zijn is natuurlijk niet zijn schuld. Wat men hem wel kan aanrekenen, is dat de ‘geschiedenislessen’ die hij door deze familiegeschiedenis weeft, vaak aan de oppervlakte blijven en soms zelfs clichématig zijn. Wat hij bijvoorbeeld schrijft over de Wetenschappelijke Revolutie, de Verlichting en Romantiek getuigt niet van een bijzondere diepgaande kennis van deze verschijnselen, en wie enigszins is ingevoerd in deze materie constateert in de literatuurlijst heel wat opvallende manco’s.

Maar Mak richt zich niet in de eerste plaats op lezers die reeds beschikken over een grote (kunst)historische kennis, en evenmin pretendeert hij een bijdrage te leveren aan het wetenschappelijke debat op deze terreinen. Hij schrijft voor een breed publiek, dat graag tentoonstellingen bezoekt en toegankelijke boeken over geschiedenis leest, en dat het prettig vindt dat interessante informatie op een heel persoonlijke wijze wordt gepresenteerd.

Dit publiek wordt in De levens van Jan Six uitstekend bediend. Dat niet iedereen gecharmeerd is van de aanpak en stijl van Geert Mak, en dat kenners weinig nieuws lezen en hier en daar dingen missen, is onvermijdelijk. Geert Mak zal er niet wakker van liggen, en zijn uitgever en lezers al helemaal niet.