Naar Rio in een ander lichaam

Paralympics

Dale van Kranen werd na een motorongeluk blind, verloor zijn baan en zijn gezin en leefde in Zuid-Afrika op straat. Als Ingrid van Kranen doet ze, met een discus, voor Nederland mee aan de Paralympics, die aanstaande woensdag van start gaan.

Ingrid van Kranen in actie tijdens het paralympisch WK in Doha, eind vorig jaar. Foto Helene Wiesenhaan/Getty Images

Het is half juli, de dag dat Ingrid van Kranen, 49 jaar, te horen krijgt of ze voor het eerst naar de Paralympische Spelen mag. Ze is discuswerpster, de enige blinde discuswerpster van Nederland.

Met haar begeleider Mies Kuipers zit ze in de auto richting Breda, onderweg naar een nieuwe training. Ingrid heeft voor „70 procent” het gevoel dat er goed nieuws gaat komen, maar juist het tegenovergestelde gebeurt. Mies heeft die ochtend telefoon gekregen uit Papendal, waar het Nationaal Sportcentrum huist. Ingrid valt buiten de boot, want Nederland krijgt in Rio de Janeiro maar een beperkt aantal startplekken toebedeeld – veel minder dan er sporters zijn die hebben voldaan aan de limieten. Een geldkwestie. Het Internationaal Paralympisch Comité staat onder druk. Rio beroept zich op het ene noodfonds na het andere.

Alsof er een kleed onder haar vandaan wordt getrokken, zo voelt Ingrid zich als Mies vertelt dat ze niet naar Rio mag. Boos is ze, zo boos dat ze besluit haar training die dag wat ingewikkelder te maken. Waar ze normaal altijd met haar gezicht in de werprichting begint en één keer om haar as draait voor ze gooit, wil ze nu anderhalve draai maken, net als de valide werpers doen. Dat is mét zicht al geen sinecure. Maar door het zichzelf moeilijk te maken, kan ze haar gedachten verzetten. Op zulke momenten in haar leven visualiseert Ingrid graag twee figuren: de crimineel, die zegt dat ze de strijd moet staken, en de begrafenisondernemer. Die wint het altijd. Laat je niet kisten, zegt hij tegen haar. En dan kan ze door. Zo heeft ze zich altijd door het leven geslagen, soms ternauwernood.

Blind na motorongeluk

In de winter van 1990 rijdt Dale van Kranen op zijn Honda CBF 750 door de regen op een kruispunt af, ergens in de buurt van Bloemfontein, waar hij woont met zijn gezin. Dale remt tijdig af voor een rood stoplicht, maar trekt het gas weer open als hij ziet dat het groen wordt. Op dat moment denkt de bestuurder van een truck links van hem dat hij het kruispunt nog wel even kan passeren. Dale belandt met hoge snelheid tussen de truck en de oplegger, wordt gelanceerd en vangt momenten later de klap op met zijn knie, die wonderwel redelijk in tact blijft.

Maar de zenuwen absorberen de impact en sturen de schokgolven door naar zijn hersenen, naar het gebied dat het gezichtsvermogen regelt. Als Dale wakker wordt in het ziekenhuis merkt hij meteen dat de wittinten veel te fel zijn. En dat wordt met de dag erger. Een Duitse oogarts kan het proces niet stoppen en besluit na vier operaties om Dales ogen te verwijderen. In de lege oogkassen gaan protheses van glas. Vanaf dat moment is hij een kansarme twintiger in het Zuid-Afrika van de jaren negentig. Voor blinden zijn dan nog geen revalidatieprogramma’s, er is geen opvang, niets.

In de maanden die volgen verliest Dale alles. Zijn baan en daardoor zijn huis en daardoor zijn vrouw en twee kinderen. Hij komt op straat terecht met alleen een T-shirt, een spijkerbroek en een rugzak met daarin een panfluit. Dat instrument wordt zijn redding. Als hij in juli 1990 na een lange dag zwerven op straat verveeld op zijn panfluit begint te spelen op een muurtje in Sunny Park, Pretoria, gebeurt er iets wonderlijks. Een medewerker van een brasserie biedt hem koffie aan, in een plastic bekertje, dat nog maar net leeg is als hij rinkelend geld naast zich hoort. Munten in het bekertje, Dale weet niet wat hij meemaakt. En het gaat maar door.

De finale van het discuswerpen op het paralympische WK van vorig jaar:

Van het geld dat hij die dag verdient met zijn fluitspel kan hij een overnachting in een pension betalen. Als hij een liedje speelt op het terras van een restaurant krijgt hij te eten, en als hij dorst heeft, doet hij hetzelfde in een pub. Zo kan Dale jaren in zijn onderhoud voorzien. Nooit blijft hij langer dan een paar dagen in een stad, uit angst zijn ex-vrouw en haar familie tegen te komen. Ze haat hem, omdat hij in haar ogen haar leven heeft verwoest. Hij doorkruist Zuid-Afrika, het land dat hij zijn thuis noemt. Dale heeft een goed leven; hij vindt dat hij geluk heeft gehad, ondanks alles.

Maar in het voorjaar van ’93 is ook voor Dale de maat vol. Als blinde is hij een makkelijke prooi voor de mannen op straat die zonder dat hij het doorheeft de hele dag kunnen zien hoeveel geld hij verdient. Als hij voor de zoveelste keer in korte tijd wordt beroofd en in elkaar wordt geslagen, besluit hij naar de Nederlandse ambassade te gaan om zijn paspoort te laten vernieuwen – zijn vader was na de Tweede Wereldoorlog vanuit Nederland naar Bloemfontein geëmigreerd. Van zijn laatste geld koopt hij een ticket naar Luxemburg. Daar brengt een bus hem naar een opvangcentrum in Vlissingen. Het heet er De Mijlpaal.

Elke dag loopt Dale op de tast naar de plaatselijke bibliotheek, waar hij iemand heeft leren kennen met familie in Zuid-Afrika – dat schept een band. De dame in kwestie belooft de kranten door te spitten op zoek naar een advertentie voor woonruimte, en ze helpt hem een uitkering regelen. Als na zes weken in Vught een flatje vrijkomt, gaat Dale meteen kijken. Pas op dat moment beseft hij dat hij blind is, drie jaar na zijn ongeluk. Tot die dag is hij alleen maar bezig geweest met overleven.

In het verkeerde lichaam

In de samenleving van Vught wordt Dale moeiteloos opgenomen. Hij raakt bevriend met mensen van de apotheek en in de Albert Heijn is hij een graag geziene klant. Hij speelt goalbal, een paralympische sport voor visueel gehandicapten waarbij spelers in twee teams liggend proberen een bal met een belletje in het doel van de tegenpartij te krijgen. Hij droomt ervan Nederland ooit op de Paralympische Spelen te vertegenwoordigen.

In 2006 raakt Dale ernstig met zichzelf in de knoop. Als hij er alleen al aan denkt zijn geheim met iemand te moeten delen krijgt hij het benauwd. In geboorteland Zuid-Afrika was geen plaats voor mensen zoals hij. En ook in Nederland kost het hem dertien lange jaren om een psycholoog toe te vertrouwen wat hij al sinds zijn prille jeugd heeft gevoeld: hij zit in het verkeerde lichaam, Dale voelt zich honderd procent vrouw. Hoe wil je dan nu verder, had de psycholoog hem gevraagd. Ik wil een geslachtsverandering, had Dale geantwoord, het liefst meteen.

Een paar maanden later gaat die wens in vervulling. Vanaf augustus 2006 gaat Dale als Ingrid door het leven. Goalbal mag ze voorlopig niet spelen. Het Internationaal Paralympisch Comité heeft in de reglementen staan dat de sporter die van geslacht is veranderd eerst tot op hormonaal niveau moet kunnen aantonen dat er geen verschil meer is ten opzichte van biologische mannen of vrouwen. Wordt dat drie jaar achtereen vastgesteld, dan is ook in de sportwereld de geslachtsverandering officieel. Maar Ingrid wordt door haar goalbalcoach te oud bevonden. Ze moet op zoek naar een andere sport. Ze gaat op haar intuïtie af: ze wil discuswerpster worden, de eerste blinde discuswerpster van Nederland.

Ingrid belt stad en land af, maar geen atletiekclub wil met haar aan de slag. Trainers raden het haar af te gaan discuswerpen. Ze vinden het te gevaarlijk en zeggen zich niet te kunnen verzekeren tegen ongelukken. Maar in 2012 heeft ze beet, bij AV Sprint in Breda. De voorzitter van de gehandicaptencommissie vraagt zijn vrouw Mies of ze met Ingrid wil gaan trainen. Ze is oud-discuswerper en trainer van beginnende hardlopers. En ze werkt in de zorg. Ze moet alleen nog even een cursus volgen om te leren hoe je een blinde begeleidt.

Bij de eerste kennismaking windt Ingrid er geen doekjes om als Mies vraagt wat haar doel is: de Paralympische Spelen. Dat is wel wat hoog gegrepen, vindt Mies. Ingrid kan niet discuswerpen en is bovendien blind. En Mies heeft nog nooit met een blinde gewerkt. Maar het duo begint gewoon, op goed geluk. Aanvankelijk elke zaterdagochtend.

Die sessies breiden ze uit naar vier in de week, honderd worpen per uur. Het begint steeds meer op topsport te lijken. Een medaille in Rio is niet reëel, dat weet Ingrid ook wel, maar in sommige disciplines kwalificeer je je al met een top-12-potentie. En ze wordt in 2015 zevende van de wereld. Dat biedt perspectief.

Vogels uit de bomen gooien

Op 7 augustus van dit jaar zit Ingrid thuis in Vught naar de radio te luisteren als ze iets hoort over de schorsing van de Russische paralympiërs en welke gevolgen dat zou kunnen hebben voor de Nederlandse ploeg. Ze heeft het vast verkeerd begrepen. Maar opnieuw wordt Mies gebeld. Als de situatie zo blijft, mag Ingrid toch naar Rio: ze is the best of the rest. Ze mag sowieso mee op trainingskamp in Portugal, ongeacht een beroepszaak van de Russen. En ze krijgt alvast een paralympisch kledingpakket. Nu heeft ze voor jaren genoeg sportkleren. Dat is al een groot cadeau, want Ingrid leeft van een uitkering. Ze heeft meestal niet eens genoeg geld voor nieuwe sportschoenen.

Twee weken later wordt de schorsing van de Russen definitief. Nederland mag twee extra atleten en de zitvolleybalsters afvaardigen omdat de Russen niet welkom zijn op de Spelen. Ingrid is sprakeloos als ze het nieuws hoort. Meteen loopt ze naar de Albert Heijn en naar de apotheek, waar ze zich uitgebreid laat feliciteren door vrienden en kennissen. Wat een eer om voor Nederland uit te komen.

De volgende dag vertrekt ze met Mies al naar Rio Maior, boven Lissabon. Ze heeft amper tijd te beseffen wat er allemaal gebeurt. Ze leeft ineens als professioneel atlete toe naar het grootste toernooi voor gehandicapte sporters ter wereld – ze eet, traint, slaapt, en herhaalt dat.

Op een achterafgelegen trainingsveldje van sportcomplex Desmor werkt ze haar ochtendtraining af. Ze gooit de meeste discussen binnen de sector, maar als haar concentratie even verslapt, vliegen ze de nabijgelegen bomen in. Het geluid van krakende takken maakt haar aan het lachen. „Het geeft niet als je de vogeltjes uit de bomen gooit”, zegt Mies.

Na twintig minuten gaat ze van werpen uit stand over tot de draaitechniek – één draai om haar as. Ingrid is zowat de enige in haar klasse die dat beheerst. „Sta ik zo goed”, vraagt ze aan Mies, met een typische Zuid-Afrikaanse a-klank. Ze moet haar rechtervoet op een krijtstreepje zetten. De ring is voor haar als een klok. Tien over vier moet het zijn. Dan is het concentreren, rechterarm strekken en op spanning brengen, draaien en de discus op precies het goede moment loslaten. De schijf, een kilo zwaar, vliegt geregeld richting 27 meter – Ingrid raakt in vorm zo vlak voor de Spelen. Op 10 september mag ze dan eindelijk. Hoe vol of leeg het Estádio Maracanã zal zijn maakt haar niets uit.

Dit is wat ze altijd heeft willen doen. Omdat discuswerpen zo’n eerlijk onderdeel is, vindt ze. Elke stap van de techniek moet in volle overtuiging gebeuren. Het verschil tussen kunnen en niet kunnen is maar klein. En dat is de perfecte metafoor voor het leven dat ze leidt.