Kijk in de kledingkast van Hedy d’Ancona

De oud-politica houdt niet van “leuk winkelen”. „Ook als je niet arm bent, zit er een morele grens aan het bedrag dat je kunt uitgeven aan een kledingstuk.”

De kast van Hedy d’Ancona

De kast van Hedy d’Ancona. Foto Lars van den Brink

Dat de kledingkast van feministe en oud-politica Hedy d’Ancona opmerkelijk leeg oogt, komt niet alleen doordat een deel van haar garderobe in het huis van haar vriend hangt, kunstenaar Aat Veldhoen. D’Ancona (78) mag dan een van de best geklede Nederlandse vrouwen zijn, van ‘leuk winkelen’ houdt ze niet.

Als ze iets nodig heeft, gaat ze gericht op zoek. En haar kleding gaat vaak lang mee. Ze draagt een gehaakt pak van Dick Holthaus uit de jaren zestig nog steeds. De rok is door haar grootmoeder korter en vervolgens weer langer gemaakt. Ook veel stukken van couturier Frans Molenaar en schoenontwerper Jan Jansen heeft ze al tientallen jaren aan. D’Ancona kocht sinds de jaren zestig bij wijlen Molenaar, met wie ze ook bevriend was.

„Totdat hij beroemd werd, was zijn kleding betaalbaar. Later kocht ik uit zijn kelder, waar de afgeprijsde artikelen hingen. Ook als je niet arm bent, zit er een morele grens aan het bedrag dat je kunt uitgeven aan een kledingstuk.”

Iedereen denkt altijd dat oude mensen niet meer op hoge hakken kunnen lopen, maar ik doe het nog steeds. Ik heb schoenen van wel twintig jaar oud; ik zorg er goed voor en laat ze regelmatig verzolen. Als ze verfrommeld zijn, vind ik er niks meer aan. De roze rok en geruite trui waren een verjaardagscadeau van Aat, omdat hij van rokken houdt en ik meestal een broek draag. En omdat ik zo vaak zwart en donkerblauw aanheb. Het zijn lievelingskleren geworden.”

Je weet maar nooit…

Dit gebreide jasje is van Saskia Budding, die vroeger een winkel in Amsterdam had: Saskya. Ik heb het jasje eind jaren zeventig gekocht en draag hem nog steeds, als ik uitga. Ik heb nog meer dingen van haar. Die trek ik niet meer aan, maar ik kan ze niet wegdoen. Je weet maar nooit, soms kan zoiets opeens weer.”

Het stoeltje is van Ado, volgens mij ­gemaakt door gevangenen. In de oorlog ben ik vaak verhuisd en toen heb dit stoeltje en het bijpassende tafeltje steeds meegesleept. Midden jaren negentig heb ik ze allebei opnieuw laten schilderen.”