Ja, nee

Cornelisse, Paulien 003

Vandaag precies vijftig jaar geleden werd Ja zuster, nee zuster voor het eerst uitgezonden. Ik was toen min tien, dus ik weet er niets meer van, maar die serie is episch genoeg gebleken om er nu bij stil te staan. En dan vooral bij de woorden ja en nee. Want niet alleen in Ja zuster, nee zuster komen die in een zin voor. Bijna dagelijks staan ja en nee gebroederlijk naast elkaar. Regelmatig hoor ik mezelf zeggen: „Ja, nee, inderdaad.” Of: „Ja, nee, ja, dat moeten we doen.”

Illustratie Paulien Cornelissen

‘Ja, inderdaad’ zou volstaan. Een enthousiast ‘ja! ja!’ kan ook. Dus wat doet die ‘nee’ er dan tussenin? Er wordt toch niets ontkend?

Persoon 1: „Elke keer als er een nuttige winkel in de stad verdwijnt, bijvoorbeeld een ijzerwinkel, dan komt er een koffietentje voor in de plaats! Belachelijk!”

Persoon 2: „Ja, nee, inderdaad.”

Persoon 2 is het ten volste eens met persoon 1. ‘Nee’ is hier niet bedoeld om iets te ontkennen, maar eerder om de uitspraak kracht bij te zetten. Als persoon 2 alleen ‘ja, inderdaad’ had geantwoord, dan had het toch minder welgemeend geklonken. „Ja, inderdaad (hoe lang moet ik nog luisteren naar deze persoon en zijn persoonlijke obsessie omtrent het fenomeen ‘gentrification’?), mm-mm.”

De vraag blijft waarom juist ‘nee’ de beaming extra kracht geeft. Ik heb het gevoel dat het hiermee te maken heeft: Door ‘ja, nee’ te zeggen, wordt niet alleen beaamd dat het feitelijk zo is dat er ijzerwinkels verdwijnen ten faveure van koffietentjes, maar ook dat dat, nee!, niet goed is. Nee gaat mee in het negatieve gevoel, en ja beantwoordt de feitelijke vraag.

Ja, nee, ja, hoor ik jullie denken, maar kan het dan ook omgekeerd? ‘Nee’ antwoorden op de feiten, en ‘ja’ op het gevoel? Dat betwijfel ik. „Wil je nog een stuk van deze heerlijke taart?” „Nee (dat wil ik niet), ja (hij is wel lekker), nee (maar nee dus).” Dat werkt niet.

Paulien Cornelisse is cabaretier en schrijver.