Hoe een man een vogel wordt

Reportage Biologie

Kunstenaar Martin Brandsma observeerde lang en liefdevol een klapekster. Tijs Goldschmidt liep mee met de waarnemer, die zich zo inleeft dat hij – bijna – verandert in de vogel.

Hagedis die is gespietst door klapekster ©Martin Brandsma

Natuurreservaat De Schaopedobbe bij Wolvega in Friesland wordt ’s winters bewoond door een klapekster (Lanius excubitor). Hij brengt daar, zonder het gezelschap van soortgenoten, in zijn piere eentje de winter door. Plek voor meer klapeksters is er kennelijk niet, de Schaepedobbe is maar een klein voedselterritorium. De wachter, zoals de klapekster wel wordt genoemd, is vertrouwd met Martin Brandsma, net als de vogel zelf scherp waarnemer. Brandsma observeerde het dier intensief vanaf zijn aankomst in het afgelopen najaar en bleef dat doen totdat de vogel half april het gebied verliet om in Scandinavië te gaan broeden.

Behalve een adderonderzoeker en Brandsma komen er in dit afgesloten gebied geen bezoekers die de paden mogen verlaten. Maar vandaag ben ik er bij. Brandsma had niet durven beloven dat we de klapekster zouden vinden, maar wees me hem al snel aan. Hij zat in een boomtop, op een tak die zachtjes wiegde in de wind, vaardig zijn evenwicht bewarend. „Hij ziet dat ik iemand bij me heb”, merkt Brandsma op. De vogel merkt het meteen als er iets vreemds aan de hand is, is alerter en onrustiger dan gewoonlijk.

Mij valt Brandsma’s perspectiefname op. Hij heeft de klapekster nog niet gesignaleerd of hij observeert afwijkend gedrag en verplaatst zich in het dier. Wat betekent de komst van twee bezoekers op zijn terrein voor de klapekster? Dat Brandsma ongevaarlijk is, weet de vogel inmiddels, na talloze ontmoetingen, maar wie is die onbekende?

De klapekster wendt zijn blik af, poetst zijn veren, kijkt dan uit over het heidelandschap waar her en der bomen en struiken staan. En dan in pijlsnelle vlucht – goed begin van een haiku – duikt hij als een kamikazepiloot naar beneden en verdwijnt tussen de heideplanten, om pas even later terug te vliegen naar de hoge uitkijkpost waar hij vandaan kwam. Een geslaagde actie, in zijn snavel spartelt een hagedis.

Bekijk hier hoe klapekster muis spietst

Niet lang daarna maakt hij opnieuw een duikvlucht, nu in een andere richting, en verdwijnt in het struikgewas om enkele seconden later, zonder hagedis, weer terug te vliegen naar zijn boom.

We lopen naar de plek waar we de vogel uit het oog verloren en treffen de hagedis roerloos aan. Hij heeft in de felle maartse zon een vlammend rood-oranje buik met pikzwarte spikkels. Het dier is slagvaardig achter de kop gespietst. De hagedis hangt, een takje heeft zijn nek doorboord. Uit zijn nek sijpelt een zware druppel bloed, nog niet gestold. Brandsma tikt met een vinger voorzichtig tegen het stille lijfje en stelt vast dat hij, na gespietst te zijn, een snelle dood is gestorven.

Vijftig hagedissen per week

In de tweede week van maart warmde de grond snel op en daarmee in een moeite de koudbloedige lijven van talloze hagedissen die tot dan toe in winterslaap waren. In al die holletjes, verspreid over de Schaopedobbe, begon enige beweging te komen. Schildklieren werden hoger afgesteld, darmen roerden zich, hartslagen werden frequenter. Totdat de hagedissen, na hun maandenlange onderduikperiode, in slow motion te voorschijn kwamen. Tot wel vijftig hagedissen per week vangt de klapekster, want zodra ze beschikbaar zijn is dat zijn favoriete prooi. Het onthoofden van aardmuizen of veldmuizen houdt hij voor gezien en ook zangvogels, of driehoornmestkevers worden minder gegeten zolang hagedissen overvloedig aanwezig zijn.

Er bestaan oude foto’s, waarop te zien is dat klapeksters verzamelingen aanleggen van gespietste prooien: muizen, hagedissen, libellen, hommels. Het zijn gevarieerde verzamelingen, geconcentreerd in een enkele struik die als kind op mij grote indruk maakten. Ik hoopte vandaag zoiets in het echt te zien, maar volgens Brandsma kan ik dat vergeten. Die foto’s van klapeksterverzamelingen zijn geënsceneerd.

Klapeksters leggen weliswaar verzamelingen aan, maar per struik of liggende dode tak wordt zelden meer dan een prooi achtergelaten. Dat klapeksters überhaupt voedselvoorraden aanleggen zou wel eens een onbedoeld neveneffect kunnen zijn van hun betrekkelijk zwakke poten. Anders dan roofvogels hebben ze er moeite mee greep op hun prooi te krijgen, die te doden en er vlees er uit te hakken en te scheuren. Daarom vermoedelijk klemmen ze de prooi op een gaffeltak of spietsen hem op een doorn of scherp takje.

De klapekster van de Schaopedobbe ving een paar jaar geleden eens drieëndertig hagedissen op één dag die werden gespietst op eenzelfde aantal struiken die verspreid door het landschap staan. Het heeft er alle schijn van dat de klapekster jaagt als het moment om te jagen gunstig is en dat hij eet als-ie honger heeft. Binnen twee weken werden alle drieëndertig hagedissen opgehaald. Meegenomen of gegeten door andere dieren worden ze zelden of nooit.

Hoe vindt de vogel drieëndertig moeilijk traceerbare hagedissen terug? Ik vrees dat ik er zonder het gezelschap van Brandsma met zijn getraind oog geen enkele zou hebben gevonden. Het is niet erg waarschijnlijk dat de vogel die uitgedroogde hagedissenmummies zou ruiken, eerder gaat hij, net als Brandsma zelf, af op visuele herkenning. Mogelijk leert de klapekster wel een route die voert langs de gespietste prooien. Onthoudt hij misschien de volgorde waarin ze gevangen zijn? Die routes zouden mooie tekeningen kunnen opleveren. Routes waar het leven van de klapekster van af hangt.

Van eekhoorns is bekend dat ze bedreven zijn in het terugvinden van verstopte nootjes en ook sommige vogels zijn er verbluffend goed in. De grijze notenkraker bijvoorbeeld, die elke herfst meer dan twintigduizend pijnboompitten opslaat. Hij gebruikt daarvoor, schrijft Frans de Waal in zijn boek Zijn we slim genoeg om te weten hoe slim dieren zijn? honderden locaties, verspreid over vele vierkante kilometers. De vogels zijn in staat de meeste pitten tijdens de winter en lente terug te vinden, iets waartoe mensen cognitief zeker niet in staat zijn. Die zijn vaak al na een dag vergeten waar ze hun fiets ook al weer hadden neergezet.

Brandsma was, doordat het hem hevig interesseert, wel in staat de drieëndertig gespietste hagedissen terug te vinden (met hulp van aantekeningen en foto’s). Het zogenaamde ‘episodisch geheugen’ van mensen mag dan onderdoen voor dat van eekhoorns en sommige vogelsoorten, ze zijn wel slim genoeg die handicap te ondervangen.

Lorenz werd voor even een wolf

De grote dierwaarnemer Konrad Lorenz stond erom bekend bevlogen voordrachten te kunnen geven. Wanneer hij vertelde over kauwen, wolven, ganzen, of cichliden, werd hij voor het moment zelf kauw, wolf, gans of cichlide. Hij kende die dieren na lange observatie door en door, en verplaatste zich zo diepgaand in hun wereld en perceptiemogelijkheden dat hij met zijn gedaanteverwisseling ver kwam. Brandsma volgde de klapekster, behalve op de Schaopedobbe, ook op vele andere natuurterreinen, van de Vogezen tot in de broedgebieden in Lapland. De klapekster is zijn muze.

Bij de performance ‘Becoming’ belichtte Martin Brandsma in 2014 zijn relatie met de klapekster.

Duizenden uren keek hij inmiddels naar klapeksters. Hij tekende ze nauwgezet in de hoop ze beter te leren kennen. Niet alleen in het veld, maar ook de balgen in natuurhistorische collecties. Door morfologische tekeningen van de kleurpatronen op de staarten te maken, leerde hij individuen te onderscheiden. Geen twee klapeksters zijn hetzelfde voor wie zich in hen verdiept. Door hun braakballen te verzamelen, waarvan de een bestond uit resten van muizen en een ander glinsterde als een diamant door het oppervlak van iriserende hagedissenschubjes die als facetten werken, probeerde hij nog dichter bij te komen.

Iets tussen beheersen en bezweren van een geliefd dier in. Zo probeert hij vat te krijgen op de essentie van de vogel: zijn hele habitus, dieet, de zwart-grijs-witte veren die per individu verschillen. Het zwarte oogmasker met wangteugels dat de vogel in staat stelt tegen de zon in te jagen, waardoor zijn schaduw – die zijn komst aan een potentiële prooi zou kunnen verraden – achter en niet voor hem valt. Het acrobatische balanceren op een tak in een boomtop. De alertheid, het spiedend kijken en geduldige wachten van de vogel en ook zijn babbelende geluid. Het is een grote verzameling van kenmerken die de verzamelende en visueel ingestelde klapekster klapekster maakt.

In Lapland ging Brandsma nog verder door zich, bij wijze van performance, net als de lokale Saami tijdens hun rituelen wel doen, uit te dossen als klapekster met zwart gezichtsmasker, in een boom te klimmen, te roepen als deze vogel en uit te kijken over het landschap. Een eigenzinnig en geduldig eerbetoon aan de klapekster.