Heus, Trump is een Europeaan

Opinie ‘Europees’ is in de VS een scheldwoord, schrijft Joost Baarssen. En volgens sommige Amerikanen is Trump heel Europees.

‘Donald Trumps rechts-racistische anti-immigrantendemagogie is niet Amerikaans, maar een Europees exportproduct”, stelde Samantha Bee in haar populair-satirische talkshow enige weken geleden. Ze gaf met deze uitspraak weinig blijk van kennis van de Amerikaanse geschiedenis, maar haar verwijt staat niet op zichzelf. „Trump moet gezien worden als een vermomde Europese radicaal”, schreef Bloomberg eerder dit jaar. Volgens het tijdschrift doet hij zich slechts voor als Amerikaan: achter een masker van bravoure gaat een angstaanjagende Europese ideologie schuil.

Waar veel Europeanen Trump als ‘typisch’ Amerikaans beschouwen, ziet een aanzienlijke groep Amerikanen dat toch echt anders. „Trump is wegbereider van een Europees pad in de Amerikaanse politiek”; hij volgt „de Europese esthetiek van boosheid”; en „hij zal de VS compleet vereuropeaniseren”. Het is slechts een greep uit een lange reeks kwalificaties die Trump als Europeaan kenschetst. Nu mag hij onherroepelijk overeenkomsten vertonen met bepaalde Europese politici, maar waar komt deze inclinatie vandaan, hem af te doen als ‘Europeaan’?

Opiauteur Trump

We kunnen een verklaring zoeken in één van de centrale onderdelen van de Amerikaanse identiteit. Het zogeheten ‘Amerikaans exceptionalisme’ – de gedachte dat de VS in cultureel opzicht anders is dan Europa en daarom beter – vereist de voortdurende bevestiging van Amerikaanse waarden. Maar dit kan evenwel leiden tot een vorm van paranoia: het land moet immers gevrijwaard blijven van ‘on-Amerikaanse’ sentimenten en dat is een schier onmogelijke opgave. Europa is dikwijls de symbolisering van dat on-Amerikaanse geweest. Sinds de vorming van de VS heeft Europa synoniem gestaan voor afschrikkend verlies – van vrijheid, zelfbestuur, individualisme en moraal. De angst voor een ‘Europeanisering’ van de VS is hiermee altijd omvangrijk geweest.

Het levert een bijzondere paradox op: Europa symboliseert voor conservatieve Amerikanen aan de ene kant militaire zwakte, decadentie, femininiteit, economische achteruitgang en afhankelijkheid (van de VS); aan de andere kant is het voor hen nog altijd het continent van tirannie, oorlogen en gewelddadige ideologieën. Door die veelvoud aan contrasterende negatieve beelden is het uitermate opportuun iemand in de politiek ‘Europees’ te noemen: het stelt tegenstanders buitenspel.

Het is onderdeel van een lange Amerikaanse traditie. Zelfs George Washington – ‘de vader van de natie’ – was er niet van gevrijwaard. Na enkele verloren slagen in de Onafhankelijkheidsoorlog (1775-1783) werd hij ervan verdacht een Britse spion te zijn. John Adams, na Washington president van de VS, werd door politieke tegenstrevers Brits genoemd; zijn tegenstander, Thomas Jefferson, even zo gemakkelijk, Frans. Na Adams’ verlies in de strijd om het presidentschap in 1800 ten gunste van Jefferson schreef hij in een verbitterd moment van zelfmedelijden dan ook: „Er zijn geen Amerikanen meer in Amerika”.

Recente voorbeelden zijn er te over. Neem John Kerry, die er zogenaamd Frans uitzag volgens Republikeinen. Kerry werd als verwaand en arrogant beschouwd, feminien; duidelijk geen krachtige representant van het volk zoals George W. Bush. Zijn heldenstatus als onderscheiden militair die royaal contrasteerde met het gebrek aan militaire competenties van Bush werd tenietgedaan door de associatie met Frankrijk en Europa tijdens zijn presidentskandidaatschap. Frankrijks obstinate houding tegen de Irakoorlog en de daarmee volgens vele Amerikanen gepaarde lafheid, gecombineerd met de negatieve beelden over Europa zoals die bestaan in de conservatief-Amerikaanse verbeelding: alle werden ze onderdeel van Kerry’s imago. Mede daardoor viel zijn campagne in duigen.

Hillary Clinton scheen zó Europees te zijn in 2008 – Mitt Romney noemde haar een excessieve Europese karikatuur – dat zij er niet eens van mocht dromen ook maar president van Frankrijk te worden. Haar ‘Europese’ beleid zou leiden tot de drie zwakheden: zwakkere defensie, zwakkere economie en zwakkere fami lies. Ook Barack Obama werd veelvuldig ervan beschuldigd diep van binnen Europese sentimenten erop na te houden.

In 2015-2016 ontkwam zelfs de hyper-Amerikaanse Ted Cruz niet aan de verdachtmakingen. Zijn vlaktaksplan leek wel erg op dat kwalijke BTW-systeem dat ze in die „socialistische Europese landen” hebben, claimde Marco Rubio.

Dat Europa vaak de bête noire van het Amerikaanse politieke spel is, kan ook verklaard worden doordat het zo’n onmiskenbaar model blijkt. Niemand spreekt over de ‘verisraelisering’ van de VS; niemand bepleit de merites van de Russische gezondheidszorg. Europa daarentegen geldt als referentiepunt en kan alomtegenwoordig gebruikt worden als argument om Amerikaanse omstandigheden te duiden, of het nu gaat om demografische, militaire, sociaal-culturele of economische vraagstukken.

Dat Trump echter Amerikaanse conventies volgt mag duidelijk zijn. Zijn stijl is die van de eenvoud – dé Amerikaanse karaktertrek – die te traceren is naar de achttiende eeuw. Afstekend bij een ontaarde Europese decadentie ging de Amerikaanse eenvoud via de Romantische intellectuelen Ralph Waldo Emerson en Henry David Thoreau die hem celebreerden naar de bevrijdende poëzie van Walt Whitman; van de ruwe frontiermens naar Mark Twains fictie.

Trump deelt deze esthetiek ook met de president op wie hij qua karakter het meest lijkt: Andrew Jackson, de populist uit het toenmalige Westen. Met Theodore Roosevelt deelt Trump de strijd tegen de zogeheten feminisering van de VS; met Barry Goldwater zijn giftige uitspraken en outsiderstatus en met Richard Nixon zijn preoccupatie met winnen en verliezen.

Maar wat zegt het over de VS dat zoveel van zijn presidenten en presidentskandidaten zogenaamd vermomde Europeanen zijn? Het maakt van Trumps uitspattingen simpelweg een buitenlandse aangelegenheid. Amerika blijkt onschuldig in een zondige wereld. Het goede is Amerikaans, het slechte Europees: wederom een motief in de Amerikaanse cultuur met een lange traditie die weinig anders is dan het spiegelbeeld dat velen in Europa als waarheid aannemen.

De intensiteit waarmee dit alles beweerd wordt en de plaats die het Europa-beeld daarmee inneemt in de Amerikaanse politiek is aanzienlijk, aangewakkerd door een versterkte polarisatie in het staatsbestel. Mocht Trump winnen in november dan kunnen we altijd nog zeggen, met John Adams: „Er zijn geen Amerikanen meer in Amerika”.