Een Nederlandse psychedelicatesse

Boudewijn de Groot

Het bijzonderste album van Boudewijn de Groot was zijn tweede, Picnick. „Geschreven tijdens de Summer Of Love geeft de plaat als geen andere het flower-powergevoel in de Nederlandstalige popmuziek weer.”

Vraag tien mensen naar de beste plaat van Boudewijn de Groot en negen zullen Voor de overlevenden noemen. Daar valt iets voor te zeggen. Het tweede studioalbum van de Heemsteedse singer-songwriter bevat drie van zijn bekendste hits – ‘Testament’, ‘Het land van Maas en Waal’ en ‘Verdronken vlinder’ – en markeert het jaar (1966) waarin de kleinkunstige protestzanger zich ontpopte tot een echte popmuzikant, iemand die bewees dat je met zingen in je moerstaal niet hoefde te blijven hangen in nietszeggende teksten. De Groot zong de teksten van een dichter, zijn boezemvriend Lennaert Nijgh, die de tijdgeest geweldig aanvoelde en met ‘Het land van Maas en Waal’ (over een optocht van ‘het circus Jeroen Bosch’) het eerste psychedelische nummer uit de nederpop schreef.

Toch is Voor de overlevenden niet het bijzonderste album van De Groot. Dat is het in januari 1968 verschenen Picknick. Geschreven tijdens de Summer Of Love geeft de plaat als geen andere het flower-powergevoel in de Nederlandstalige popmuziek weer. Het begint al in het openings- en titelnummer: De Groot nodigt ons uit voor een psychedelisch déjeuner sur l’herbe, waar starre paters en burgerlijke tantes ‘als elfen samen dansen, leliekransen in hun haar’ en waar de muziek wordt verzorgd door een ‘goudgelokt lentekind’ en de Apollo van de jaren zestig: ‘Gekleed in vijgenblad van schuim/ vliegt Dylan door het hemelruim, / speelt hymnen op zijn harp en gouden luit.’

Muzikaal is De Groot in ‘Picknick’ meer beïnvloed door The Beatles dan door Bob Dylan. De oosterse klanken waar het nummer mee opent doen denken aan de sitar van George Harrison die hij in1966 op ‘Norwegian Wood’ had geïntroduceerd. En de indrukwekkende cello-glissandi kennen de Beatlesfans van ‘Eleanor Rigby’. Maar dat neemt niet weg dat ‘Picknick’ – met het hoge tempo, het binnenrijm dat uit de groeven spat, de aanstekelijke uithalen (‘We geven pickníííííííck’) – heel herkenbaar Boudewijn de Groot is. Het nummer had beslist meer verdiend dan de armzalige 25ste plaats waarmee het in de Nederlandse top-40 werd afgescheept.

Ook de rest van de plaat bevat juweeltjes. ‘De ballade van de vriendinnen voor één nacht’, een weemoedige Hollandse blues met music-hallinvloeden. ‘Cinderella’, een sprookjesachtig nummer dat enigszins aan ‘Lucy in the Sky with Diamonds’ doet denken. ‘Canzone 4711’, een jazzy ballade waarvoor de Van Morrison van Astral Weeks zich niet had hoeven schamen. ‘Eva’, een beeldschoon stukje folkrock waarin de ‘oude’ Boudewijn de Groot nog duidelijk te herkennen is. ‘Tuin der lusten’, een barok aandoende power ballad met een heerlijk onbegrijpelijke tekst. En natuurlijk ‘Meester Prikkebeen’, de samen met Elly Nieman (van Elly & Rikkert) gezongen successingle die veertig jaar na dato nog steeds de Top 2000 onveilig maakt. Rijk georkestreerd en hinkend op twee muzikale ideeën is het een Nederlandse variatie op ‘A Day in the Life’, het slotnummer van Sgt. Pepper’s.

Jeroen Bosch

Tekstueel is niet alleen in ‘Tuin der lusten’ de invloed van Jeroen Bosch te herkennen. Het idioom van ‘Het land van Maas en Waal’ – een bloemlezing van motieven op de apocalyptische schilderijen van Bosch – komt terug in ‘Meester Prikkebeen’ (‘Hij fluit z’n pluche lapjeskat/ Want hij heeft last van muizenissen die nesten maken in z’n baard’), in ‘Cinderella’ (‘En onder de motorkap suizen/ in een tredmolen zes witte muizen’) en vooral in Megaton’, dat poëtisch de nucleaire Holocaust oproept: ‘De hoogovens lopen over het land/ met ijzermuilen rood en zwart,/ de intocht der isolatoren./ Ze steken de steden met zwavel in brand.’ Het is opmerkelijk hoe naadloos flower power en een somber Boschiaans wereldbeeld in elkaar overgaan.

Van dat pessimisme is overigens niets te zien op de lp-hoes. Die werd getekend door het toentertijd hippe duo Simon & Marijke, waarvan de mannelijke helft een halve eeuw later weer in het nieuws kwam als de vader van Douwe Bob. De twee hadden een op het laatste moment afgekeurde hoes ontworpen voor Sgt. Pepper’s, en maakten voor Picknick een vrolijke, sprookjesachtige schildering van De Groot in een landschap met elfen en bloemen. De zanger houdt de platenhoes van Picknick vast, zodat een extra psychedelisch Droste-effect ontstaat. Het geheel is niet zo kunstzinnig en baanbrekend als de collage die Peter Blake voor The Beatles had gemaakt, maar mag toch wel gelden als een van de gezichtsbepalende hoezen uit de nederpop.

Experimenteren is leuk, zolang het met mate gebeurt. Een jaar later, in januari 1969, verscheen Nacht en ontij, waarop de ‘bijzondere’ geluidseffecten en de barokke orkestraties de matigheid van de composities en de kitsch van de teksten (geschreven zonder hulp van Lennaert Nijgh) niet konden verhullen. Wég is de brille, de vrolijkheid en de folksy sfeer van Picknick. De ‘luisterfilm’, zoals De Groot het album zelf noemde, werd een flop en De Groot vervolgde zijn carrière met matig ontvangen Engelstalige nummers, om in 1973 zijn comeback als Nederlandstalig artiest te maken met de single ‘Jimmy’ en het album Hoe sterk is de eenzame fietser, waarop alle hippie-invloeden verdwenen waren. Picknick, het eerste conceptalbum uit de Nederlandse popgeschiedenis, bleef op De Groots palmares fonkelen als het hoogtepunt van zijn loopbaan, en doet dat bijna vijftig jaar na dato als de Nederlandse Sgt. Pepper’s nog steeds.

Dit stuk stond in het septembernummer van muziektijdschrift Heaven (popmagazineheaven.nl) Het is een hoofdstuk uit Luisteren &Cetera. Het web van de popmuziek in de jaren vijftig en zestig dat in november zal verschijnen.