‘Echt creatief ben ik pas rond tien uur ’s avonds’

Spitsuur

Pianist Matteo Mijderwijk (26) werkt op de meest ‘wazige’ tijden – zelfs om twee uur ‘s nachts. Op dit moment neemt hij zijn eerste album op: „Klassieke muziek klinkt alsof iets is geweest, ik maak muziek van nu.”

Foto David Galjaard

Podiumdier

Matteo: „Sinds een half jaar woon ik in Lola Luid, een creatieve broedplaats in een oude school in Amsterdam Nieuw-West. Toen ik hier kwam wonen heb ik de sleutel gekregen van de oude theaterzaal, daar staat mijn piano. Ik slaap in het oude lokaal Nederlands, mijn agenda staat op het schoolbord. Hiervoor woonde ik in een woongroep in Rotterdam. Daar stond mijn piano in mijn kamer, dus moest ik altijd heel zachtjes voor anderen doen.

„Overdag ben ik nooit zo creatief, dan doe ik mijn mail of ga ik naar afspraken. Ik werk op de meest wazige tijden, ook om vijf uur ’s nachts. Echt creatief ben ik meestal pas rond tien uur ’s avonds. Na een optreden speel ik vaak nog een paar uurtjes – tussen elf en een. In de zomer treed ik elke dag wel ergens op. Ik ben net terug van een festival in Duitsland, vanavond speel ik op het Grachtenfestival in Amsterdam. Daarna ga ik drie dagen pianosolo’s opnemen in een concertzaal in Eindhoven, voor mijn eerste album.

„Er komen alleen maar eigen composities op het album, het wordt helemaal akoestisch. Mensen noemen het dan al snel klassiek, maar zo zal ik het zelf nooit noemen. Klassiek klinkt alsof iets al is geweest, terwijl ik muziek maak van nu. Er zit ook heel veel improvisatie in, op het podium weet ik nooit op welke noot ik eindig en met welke noot ik begin. Ik heb wel een setlijst, maar vind het fijner bij het publiek te testen hoe ver ik kan gaan. Dan communiceer je met muziek. Ik ben echt een podiumdier.”

Slapen op een Messi-kussen

Matteo: „Ik was veertien toen ik mijn eerste keyboard kocht. Ik zag hem in de etalage liggen bij de Aldi voor honderd euro. Ik heb hem in het raamkozijn gezet en ben gaan spelen, dagen lang.

„Mijn vader is dominee. Toen het kerkkoor een nieuwe piano kreeg, mocht ik de oude hebben. Ik werd meteen naar het orgel gestuurd om de diensten voortaan te begeleiden. Op mijn zeventiende ging ik naar het conservatorium. De muziek die ik nu maak heeft natuurlijk niet zoveel te maken met christelijke muziek. Mijn ouders stuurden eigenlijk altijd aan op docent worden, dan heb je financieel nog een beetje houvast. Maar tijdens mijn eindexamen zaten ze wel vooraan. Ik improviseerde toen bij een stille film van Dalí (Un chien Andalou), waarin een naakte vrouw voorbij komt. ‘Wat vond je ervan?’, vroeg een van mijn vrienden mijn moeder na afloop. ‘Ja, het was wel even wennen’, zei ze. Dat vond ik heel schattig.

„ Als kind ging ik ’s avonds mee naar de kerk. Achterin de kerk stond het orgel, die klank maakte me een beetje bang. Soms als ik ’s avonds beneden kwam, zaten mijn ouders naar een orgelplaat te luisteren. Dat maakte toen al veel indruk. Toch kom ik helemaal niet uit een muzikale familie. Iedereen heeft altijd veel gevoetbald. Dat doe ik trouwens ook nog steeds op zaterdag bij de amateurs van Willem II. Ik ben best voetbalverslaafd, ik slaap nog steeds op een Messi-kussen.”

Domineeszoon

Matteo: „Godsdienst, regels tussen gelovigen, vind ik minder belangrijk dan mijn directe relatie tot God. Ik wandel twee uur per dag, ’s middags. Dat heeft voor mij net zoveel waarde als bidden of mediteren. De essentie is hetzelfde: je bent alleen, liefst in de natuur. Ik loop naar het Rembrandtpark, naar de Sloterpas, het Amsterdamse Bos, of nog verder richting Geuzenveld. Heel soms als ik écht rust nodig heb, dan ga ik naar mijn ouders. Zij wonen in een weiland. Al die planten om me heen in de studio vind ik dus ook heel relaxed. Maar het is fucking veel werk hè?

„ Op zondagochtend zit ik nog steeds in de kerk in de Bijlmer, daar bespeel ik het orgel in een Surinaamse kerk. Dat vind ik heel fijn, het is een hele vrolijke gemeenschap. Mensen bedanken me vaak na afloop. Toch blijf ik nooit lang hangen, groepen vind ik soms wat benauwend. Ik merk dat ook op feestjes. Ik vind het leuk erbij te zijn, maar niet al te lang. Na twee uur ben ik weg. Het klinkt misschien egoïstisch, maar het hebben van een idee kost best veel tijd.”

Werkethos

Matteo: „Rond een uur of vijf kom ik terug uit het park met allemaal nieuwe ideeën. Ik doe boodschappen bij de Lidl en kook voor mezelf: pasta. Dat is het enige wat ik echt goed kan maken. In de festivalperiode wordt er elke dag voor me gekookt, dus nu ben ik weer helemaal fit. Aan het einde van de dag ga ik in de hangmat liggen en luister ik opnames van die dag terug.

„Ik denk dat ik in totaal vijf tot zes uur per dag in de studio zit. Ik mail naar programmeurs van poppodia of festivals, of drink koffie met mensen die ik mijn muziek laat horen. Onzekerheid kan voor veel jonge muzikanten een struikelblok zijn. Ik ben niet per se heel zelfverzekerd over mijn muziek, maar ik vind wel: als je dit graag wil, werk er dan ook maar voor! Dat werkethos heb ik ook van huis uit meegekregen. Zolang het lukt, doe ik dit. En anders ga ik gewoon in een taxi zitten.

„Want zolang ik het probeer, hoef ik niet te zeggen dat ik er niet alles aan gedaan heb als het niet lukt. En om heel eerlijk te zijn: ik ben het meest gelukkig als ik hier in de studio zit, of op een podium. Ik heb niet veel meer nodig.”