Wie bewijs verzamelt in Gaza, wordt tegengewerkt

Oorlogsmisdaden Wissam Sheheibars 9-jarige dochter werd door een raket gedood op hun dakterras in Gaza. Hij hoopt dat de zaak voorkomt bij het Strafhof in Den Haag. Dat zal moeilijk worden: wie bewijs verzamelt, wordt tegengewerkt.

Een vrouw hangt de was uit in haar appartement in de wijk Beit Lahiya in Gaza, welke zwaar beschadigd raakte tijdens de Gaza-oorlog in 2014. Foto Hatem Moussa/AP

Het was de zestienjarige Oday Sheheibar uit Gaza-Stad die het voorstel deed aan zijn zusje van negen en twee neefjes van negen en tien: zullen we op het dakterras de vogels voeren?

Dit speelde zich af in de zomer van 2014, tijdens de jongste Gaza-oorlog. Oday en zijn familie wonen in de drukbevolkte wijk Sabra in het centrum van de stad, die volgens hen op geen enkele manier aan Hamas te koppelen is. Toch werd er, toen hij in de volière was en de drie jongere kinderen erbuiten, een raket op hen afgevuurd. Oday raakte zwaargewond, het drietal kwam om het leven. Volgens de Israëlische mensenrechtenorganisatie B’Tselem zijn er tijdens de oorlog in totaal 250 kinderen uit de Gazastrook gedood in hun eigen huis.

Eind augustus maakte het Israëlische leger bekend dat diverse onderzoeken naar mogelijke misdaden tijdens de oorlog zonder aanklachten zijn afgerond. Geldt dit ook voor de zaak-Sheheibar? Nee, laat het leger desgevraagd weten: „exceptionele incidenten” worden nog steeds onderzocht. „De zaken worden grondig geëvalueerd in overeenstemming met het beleid van transparantie en verantwoording van de militaire advocaat-generaal.”

De Palestijnse Autoriteit heeft hier minder vertrouwen in. Daarom heeft ze, daartoe aangespoord door diverse Palestijnse mensenrechtenorganisaties, het Internationaal Strafhof gevraagd om mogelijke Israëlische oorlogsmisdaden te onderzoeken. Dit is bedoeld voor potentiële oorlogsmisdaden die in het eigen land niet afdoende onderzocht worden. Israël betwist dat zijn eigen, interne evaluatie van mogelijke misstanden niet serieus zou zijn.

Het Strafhof doet momenteel ‘vooronderzoek’ naar vermeende Israëlische oorlogsmisdaden op de Westelijke Jordaanoever en in de Gazastrook. Als het tot een zaak komt, zegt Wissam Sheheibar (40), de vader van Oday, wil hij naar Den Haag om als getuige op te treden. Aan de muur van zijn woonkamer hangt een martelaarsposter met de beeltenis van zijn dochter Afnan, geflankeerd door de Jeruzalemse Rotskoepel en Al-Aqsa-moskee. Sheheibar:

„Ik zal alles doen om mijn recht te halen.”

Doodsbedreigingen

Eenvoudig is dit niet. In de fase van het ‘vooronderzoek’ kan het Strafhof de feiten nog niet zelf onderzoeken, en is het mede afhankelijk van gegevens van ngo’s.

Begin augustus berichtte NRC over doodsbedreigingen aan het adres van Nada Kiswanson, een in Nederland woonachtige juriste die het Strafhof informatie levert. Haar werkgever, de ngo Al-Haq, wordt eveneens bedreigd. Net als een ngo die informatie verzamelt in de Gazastrook, Al-Mezan. De Verenigde Naties bevestigden eind augustus dat deze organisaties met „bedreigingen en beperkingen” worden geconfronteerd.

Al-Haq wordt non-stop lastiggevallen met telefoontjes, e-mails en hackpogingen, zegt algemeen directeur Shawan Jabarin in een vergaderzaaltje op het hoofdkantoor in Ramallah, op de Westelijke Jordaanoever.

„Dan krijgen al onze medewerkers bijvoorbeeld een mailtje van oxfamnovib.co.uk met het aanbod van een baan. Alleen bestaat die website met die extensie niet. Als ze op die link klikken, worden onze computers geïnfecteerd. En al onze subsidieverstrekkers, van Duitsland tot Noorwegen, krijgen telefoontjes. ‘Heb je al gehoord van dat corruptieschandaal bij Al-Haq?’ Verzonnen natuurlijk.”

De collega’s bij de mensenrechtenorganisatie Al-Mezan in Gaza-Stad spreken van doodsbedreigingen per telefoon, mailtjes in een soort Arabisch dat „duidelijk uit het Hebreeuws” vertaald is, nep-sms’jes met het aanbod om de telefoon beter te beveiligen. En ook massale oproepen aan de donoren om de financiering te staken. Zowel Al-Haq als Al-Mezan beveiligt het eigen computernetwerk, maar staat machteloos tegenover de ongewenste telefoontjes en sms’jes.

Geen van beide organisaties twijfelt aan de afkomst van de bedreigingen. Jabarin: „Israël is de enige die een belang heeft om ons te stoppen én over technologie beschikt die geavanceerd genoeg is. Ik heb een nieuwe simkaart en twee uur later word ik gebeld, door dezelfde stalker die Nada Kiswanson lastigviel.” Woordvoerder Emmanuel Nahshon van het Israëlische ministerie van Buitenlandse Zaken wil niet op de aantijgingen reageren.

Raketscherven

Op zijn dakterras in Gaza-Stad gaat Wissam Sheheibar op zijn hurken zitten. Hij schudt een plastic zakje met raketscherven leeg. Uit de brokstukjes is op te maken dat er voor de raket een lichte metaalsoort is gebruikt; daarom vermoedt de familie dat het projectiel is afgevuurd vanuit een drone. Tussen de resten zitten ook computerchips. Sheheibar laat een van de onderdeeltjes zien. Made in France, staat erop geschreven.

Deze scherven zouden belangrijk bewijsmateriaal kunnen vormen in een mogelijke strafzaak. Maar hoe krijg je ze in Den Haag? De grens met Egypte is bijna altijd dicht, en de enige andere reisoptie is via Israël – dat er weinig belang bij heeft om mee te werken aan een strafzaak waarin het zelf terechtstaat. „Het zal lastig worden”, erkent Samir Zaqout, die bij Al-Mezan trainingen geeft en veldwerkers begeleidt.

Een andere vrees is dat getuigen zodanig worden bedreigd of beïnvloed dat hun verklaring niet als bewijs kan dienen. Eerder overkwam dit het Strafhof in de zaken tegen de Keniaanse president en vicepresident, die noodgedwongen werden geseponeerd. Maar volgens Zaqout hebben getuigen in Gaza weinig te verliezen.

„Het gaat om mensen die hun huis al zijn kwijtgeraakt, familieleden zijn gedood. Ze voelen de morele verplichting om te praten, al is het om die familieleden alsnog een stem te geven.”

Al-Mezan, dat behalve de zaak-Sheheibar nog 26 andere mogelijke Israëlische oorlogsmisdaden uit de jongste Gaza-oorlog identificeerde, heeft ook te kampen met tegenstand in de eigen maatschappij. Zaqout: „Ons werk ligt gevoelig in deze streng-islamitische samenleving. We onderzoeken ook mogelijke mensenrechtenschendingen van de Palestijnse Autoriteit en van militanten in Gaza.”

Toch zegt de mensenrechtenactivist dat hij „redelijk ongestoord” zijn werk kan doen in de kuststrook. „We werken zonder aanzien des persoons, en dat weten de mensen van Hamas. Zo hebben we hen ook eens verdedigd toen hun rechten geschonden waren.”

Executie van collaborateurs

De raketten die Hamas op Israël afvuurde, komen eveneens in aanmerking voor onderzoek naar oorlogsmisdaden. Maar Al-Mezan kan geen onderzoek doen aan de Israëlische kant van de grens. Wel onderzocht de organisatie de executie van vermeende collaborateurs door Hamas. Zaqout: „Daarover hebben we onze afkeuring uitgesproken.”

Alle bedreigingen vormen een „bewijs dat we op de goede weg zijn”, zegt Jabarin. „We hebben onze feiten op orde, die kunnen niet aangevochten worden door Israël. Dat hebben ze trouwens nooit gekund. Dit is de reden dat ze ons ondermijnen: we zijn onafhankelijk.” Een pro-Israëlische ngo genaamd ‘NGO Monitor’, die mensenrechtenorganisaties bekritiseert, noemt Al-Haq een lawfare-organisatie die de wet gebruikt als oorlogswapen. „De wet gebruiken, daar lijkt ons niks mis mee”, zegt Jabarin.

Zijn organisatie wordt mede gefinancierd door Nederlands overheidsgeld. Op het hoofdkantoor hangt aan de muur een oorkonde van de Geuzenpenning, een Nederlandse onderscheiding voor mensen en organisaties die zich inzetten voor democratie. Al-Haq kreeg de prijs in 2009 toegekend, samen met B’Tselem. Maar Jabarin kon de prijs niet ophalen: hij had van Israël een reisverbod gekregen wegens vermeende betrokkenheid bij de Palestijnse groepering PFLP, die in onder meer de EU en de VS op de terreurlijst staat. Jabarin ontkent deze betrokkenheid.

De Al-Haq-directeur denkt dat een eventuele strafzaak tegen Israël ondanks alle hindernissen toch een goede kans maakt. „We hebben het morele gelijk aan onze zijde.” Hem raken ze niet, zegt hij. „Behalve met een kogel. Ik ben er klaar voor.” Hij zet zijn bril af, tikt hard met zijn ring op tafel.

„We mogen niet stoppen.”