Rotterdam omarmt me, en ik omarm Rotterdam

Columniste Ebru Umar verhuisde afgelopen juni vanwege treiterijen vanuit Amsterdam terug naar Rotterdam, waar ze opgroeide. ‘De stad is spannender geworden. Mooier. Wereldser.’

Half maart tekende ik voor een pied-à-terre in Rotterdam, niet wetende dat die woning in no time zou promoveren tot hoofdwoning. Terwijl ik vast zat in Turkije, had mijn leven de afslag ‘Rotterdam’ genomen.

Kort na mijn terugkeer woonde ik al in de stad, bij mijn ouders. Geen betere plek om een PTSS, een diagnose die door de ervaringsdeskundigen die me opvingen, werd gesteld, het hoofd te bieden. Ik nam het voor kennisgeving aan. Hoe traumatisch kan dat nou zijn, landarrest?

Maar eenmaal terug, kwam inderdaad die megaklap: de vermoeidheid was onbeschrijflijk, mijn geheugen blokkeerde en mensen mijden werd een tweede natuur. Ik transformeerde tot het zesjarige kind van mijn ouders. Weg uit Amsterdam en de woning waar ik achttien jaar gewoond had, terug in een totaal andere werkelijkheid met slechts een paar constanten: familie en vrienden die me opvingen en een huis in Rotterdam waar vijf man aan werkten om het snel bewoonbaar te maken.

Niet dat ik dat wilde: leven in ‘hotel mama’ geeft troost. Maar mijn moeder dirigeerde me naar meubelzaken voor mijn nieuwe inrichting (hartjes voor het Alexandrium), stuurde me zowel naar De Bijenkorf als naar musea om weer onder mensen te komen en liet, toen ik het echt niet aankon, de kapper aan huis komen. 17 juni verhuisde ik.

Dit is de tweede ronde van mijn leven, ik ben bezig de basis te leggen voor de komende 45 jaar en dat die basis in Rotterdam ligt, voel ik in elke vezel van mijn lijf. Overal waar ik kom, word ik aangesproken. Heel vriendelijk en lief, maar mensenschuw als ik ben geworden, schrik ik er elke keer van. De eerste overwinning op mezelf komt op het Concours Hippique als een beveiliger vraagt: „Ken ik jou niet ergens van?” en ik pareer „¬¬nee je vergist je, dat moet iemand anders zijn geweest.” Ja, het gaat weer goed met me. Rotterdam is een warm bad, Rotterdam omarmt me en ik omarm Rotterdam.

En dan komen ook mijn vrienden langs. Met een voormalige overbuurman maak ik een wandeling naar de Schone Lei aan de Kralingse Plas, zonder enige confrontatie met rellende Marokkanen. Hij is gerustgesteld. Met andere vrienden ga ik naar de Markthal. We halen patat bij Bram, alvorens bij De Tuin écht te eten. We ontbijten bij het nhow hotel en hangen in de zon op het terras bij Hotel New York.

In de achttien jaar dat ik niet in Rotterdam gewoond heb, is de stad spannender geworden. Mooier. Wereldser. Koekela is Dudok met sprongen voorbijgestreefd als het om taarten gaat. Van den Assem heeft een waanzinnige webshop – toch blijft de service in de winkel de moeite waard om de Aert van Nesstraat te bezoeken. Een vriend wijst me op de beste kleermaker en stomerij van de stad in de Pannenkoekstraat, en passant koop ik een leren broek in een van de geweldige boetieks daar. Mijn Rotterdamse vriendinnen melden zich: “E., ben je gesettled?” Absoluut. Ik ben meer dan gesettled. Ik ben gehecht.

Ebru Umar (46) is onder meer columniste voor dagblad Metro.