Ons thuis lag op Madoera

Willem Nijholt

Ook in zijn memoires weet de acteur de geuren van het Indië van zijn jeugd op te roepen. Nijholt vertelt vooral over zijn repatriatie en eerste erotische ervaringen.

Het was koud, op 14 januari 1946, toen de elfjarige Willem Nijholt met zijn oudere broer, zijn jongere zusje en zijn zieke moeder in een schip vol repatrianten de Amsterdamse haven binnenvoer. Die kou kende hij niet. Hij kende alleen de hitte van Nederlands-Indië, waar hij zijn jeugd had doorgebracht – eerst in vrede, daarna in een kamp. Het was, schrijft hij, ‘een kou die ons in de dijen beet, aan de oren knaagde, de neuzen gevoelloos maakte.’

Zo weet Nijholt in zijn nieuwe boek Een ongeduldig verlangen de kilte onder woorden te brengen waarmee het vaderland de tienduizenden ontving voor wie het vroegere Indië een verloren paradijs was geworden. Al in het Noordzeekanaal had hen de ijzigheid getroffen die Nederland blijkbaar voor hen in petto had. Letterlijk, zelfs: ‘Een vlaag venijnige ijssneeuw joeg spelden in onze gezichten, in wangen, in voorhoofd, neus, kin en oren. Prikten oogleden dicht, ijskoude naalden staken in onze ogen, die we met de hand aan ons voorhoofd moesten afschermen.’ En nergens was enige warmte te vinden: ‘Ieder het hoofd tussen de schouders gedoken, probeerden we onze handen niet te laten bevriezen door ze om en om eerst warm te blazen en ze dan, blauwbekkend en klappertandend, diep in de broekzakken te steken. Ineens begreep ik wat er met klappertanden bedoeld werd.’

©

©

Beeldend schrijven

Dat hij beeldend kan schrijven, bewees Willem Nijholt al, toen hij in 2011 onder de titel Met bonzend hart de brieven publiceerde die hij in de loop der jaren had gestuurd aan schrijfster Hella Haasse. Associatieve brieven waren dat, waarin het vooral over het vooroorlogse Indië ging. Nijholt riep geuren en kleuren op die door Haasse werden herkend – maar niet alleen door haar. Het boek werd een succes.

Geen wonder dat de nu dus ook als schrijver ontdekte acteur werd aangemoedigd om door te gaan met schrijven. Niet langer in briefvorm, maar als auteur van memoires – nog even associatief als in de brieven. Zijn verteltrant is niet wezenlijk veranderd: veel van wat hem overkomt, ook in zijn latere leven, maakt weer levendige herinneringen los aan Indië. Als hij bijvoorbeeld de martiale wandelpas beschrijft van zijn later ook naar Nederland teruggekeerde vader, blijkt hij nog precies te weten hoe deze vroeger aan het hoofd van een regiment zijn soldaten met hun geweren liet exerceren op het plein voor de kazerne: ‘en alles in behoorlijk tempo, allerlei draaien, links uit de flank en dan weer rechts uit de flank, geweer opgooien en weer opvangen, linkerschouder, draai en rechterschouder, drie keer een molentje draaien en kléts de kolf op de grond…’ – enzovoorts. Ja, dit boek bevat zinsneden die misschien iets minder overdadig hadden gekund. Maar illustratief is zulk proza wel.

Nijholt vertelt honderduit – en vanuit een authentiek ogende drang om het allemaal te vertellen. Zo herinnert hij zich hoe de belangstellenden die in Amsterdam op de kade stonden om de teruggekeerde landgenoten te aanschouwen. En hoe menigeen hen toen teksten toeriep als: ‘Houd moed! Wees sterk! Welkom thuis.’ Waarop hij, zeventig jaar na dato, geen ander antwoord weet dan: ‘Thuis? Wij hadden geen thuis. Ons thuis lag in Soemenep, op Madoera.’

Maar uiteindelijk trof het gezin Nijholt het niet slecht, zo blijkt uit dit relaas. Het belandde in het dorp Millingen aan de Rijn, waar al een grootmoeder woonde. En wat Nijholt opschrijft over zijn puberteit in dat dorp, wekt een voornamelijk vredige indruk. Hij is er zelfs misdienaar geweest.

Maar telkens gaan de gedachten weer terug naar Indië – en wat hij daarover schrijft, levert de pakkendste passages op. Over de wandluizen in het kamp: ‘Ze prikten in je huid en slurpten het beetje bloed dat je nog had op en maakten je doodmisselijk van de walgelijke stank als je ze doodsloeg.’ Over de stomp- en trapgrage kampbewakers: ‘Je werd overal voor geslagen of suf geschreeuwd. De haat in je ziel bleef gloeien, maar je knoken vatten geen vlam meer.’ En over de vernederingen die moeders moesten ondergaan ten overstaan van hun kinderen: ‘Daar zit je dan bij, als jongetjes van acht en negen en meisje van anderhalf. Kinderen die moesten toezien dat hun moeder ze hard om de oren kreeg. Je kunt niets doen, je weet gewoon niet wat jou, wat iedereen overkomt.’

Een mooi contrast vormen de liefkozende woorden die Nijholt aan zijn moeder wijdt, en het mededogen waarmee hij over zijn vader schrijft. Naast de verlekkerde zinnetjes over de door hem destijds vereerde Hollywood-sterren (Deanne Durbin, Errol Flynn) en de gevoelens die zij bij hem opriepen: ‘Veel huilen in de bioscoop bij een wijvenfilm, en niets om die knallende cowboys geven.’ Ook zijn eerste (homo)-erotische ervaringen komen ter sprake, in scènes die even lijfelijk zijn als de rest van het boek.

Over zijn toneel-, film- en tv-loopbaan schrijft hij veel minder – misschien komt dat nog. Dat is het nadeel van de ietwat verbrokkelde manier waarop zijn levensverhaal nu in verschillende boeken naar buiten komt. Dit boek maakt, hoe dan ook, nieuwsgierig naar méér.