Meer opium, meer schulden, en dan ook nog meer vleugels krijgen

Thomas de Quincey (1785-1859)

De auteur van Bekentenissen van een Engelse Opiumeter leek lang een koekoeksjong te blijven in andermans levens. Zijn talent ontdekte De Quincey toen hij zijn manische inborst tot literatuur maakte.

Thomas de Quincey bleek een ‘geboren journalist’, schrijft Frances Wilson in haar nieuwe, schitterende biografie van de beroemdste drugsverslaafde uit de Engelse literatuur. Dat is onmiskenbaar, maar hij moest wel een slingerende omweg maken voor hij daar zelf achter kwam.

De auteur van Bekentenissen van een Engelse Opiumeter (1822) leek lang gedoemd slechts een koekoeksjong te zijn in de levens van anderen. Als scholier dweepte hij met de bundel Lyrical Ballads, waarmee Wordsworth samen met Coleridge de Engelse poëzie op z’n kop zetten. Fanatiek wurmde de briljante scholier een paar jaar later hun beider levens binnen; hij werd een soort huisvriend/secretaris van de Wordsworths en bewoonde jarenlang hun legendarische huisje in Grasmere in het Lake District. De Quincey (1785-1859), een jongeman met een kinderlichaam en een enorm hoofd, koesterde grote verwachtingen van zichzelf, als classicus en filosoof en zelfs even als dichter, maar sloeg telkens op de vlucht wanneer hij zichzelf moest bewijzen – op school en later in Oxford.

Frances Wilson (1964) beschrijft hem als een mengeling van grootheidswaan en zelfhaat, naar buiten toe een overbeleefde, behoeftige pleaser, van binnen verteerd door trots en torenhoge ambitie. Zijn latere leven bestond uit vluchten en onderduiken – letterlijk, om aan zijn schuldeisers te ontkomen, figuurlijk in de weldadige roes van de opium, die de werkelijkheid onschadelijk maakte en zijn demonen uit zijn jeugd op afstand hield.

De afstandelijke Wordsworth (1770-1850) was zijn idool – tot twee keer toe sloeg de jonge De Quincey op de vlucht vlak voor hij in Grasmere zou aankloppen – maar de dichter van The Prelude (1850), een autobiografie in poëzie, bleek zijn tegenpool te zijn. Wordsworth was in alles bezonken, terwijl in De Quincey’s gevoelsleven alles hysterisch werd uitvergroot, tot romantisch (melo)drama werd gemaakt. Dat moest fout gaan en dat ging het ook, definitief toen Wordsworth en zijn entourage opzichtig hun neus ophaalden voor de vrouw van De Quincey, een plaatselijk meisje uit het volk.

©

©

Hang naar houvast

Zelfs zijn grote passie, boeken, wist De Quincey tot een gillende nachtmerrie te maken. Hij kocht er oneindig veel meer dan hij kon lezen en de gedachte dat hij in zijn leven maar een fractie kon verstouwen van wat er gepubliceerd werd (hij rekende dat zorgvuldig op papier uit) maakte hem wanhopig. Een keer moest hij elders intrekken, omdat zijn huisje zo volgepakt met boeken was dat hij er zelf niet meer in paste.

Uit Guilty Thing rijst het beeld op van een man die zichzelf telkens blind voorbij holde, voortgejaagd door een tomeloze hang naar blijvend houvast. Zijn ware talent ontdekte De Quincey toen hij, tegen wil en dank, zijn manische inborst tot literatuur maakte. De opkomst van populaire bladen als Blackwood’s Edinburgh Magazine schiep een bedding voor zijn talent als essayist.

Het genre zat hem als gegoten, hij kon er alles in kwijt, zijn fenomenale kennis, zijn obsessies, zijn humor en zijn gekte. Van de hak op de tak springen werd een persoonlijke specialiteit. Hij converseerde met zijn publiek, kletste en roddelde, wisselde priemend precieze formuleringen af met overspannen retoriek, overweldigende inzichten met te lang uitgesponnen flauwiteiten. Tegelijk beschikte hij over een haarfijn instinct voor wat de lezer wilde. Frances Wilson laat goed zien hoe hij met zijn veelbesproken Bekentenissen, dat in twee afleveringen verscheen, een bestaand genre op een gehaaide manier een nieuwe draai wist te geven.

Het beeld van de Opiumeter (meestal werd de opium vooral door hem gedronken, opgelost in alcohol, een brouwsel dat laudanum werd genoemd) gaf aan iets vrij alledaags een romantisch, rebels tintje. In werkelijkheid werd opium in het Groot-Brittannië van de vroege negentiende eeuw door alles en iedereen gebruikt, het was een huis-tuin- en keukenmiddel, of zoals Wilson het magnifiek uitdrukt: ‘The country was marinated in opium.’ De Quincey maakte van zijn verslaving een hoogstpersoonlijk, existentieel drama, met prachtige visioenen van highs en jammerlijke lows.

Latere bewonderaars, onder wie Baudelaire en leden van de Beat Generation, bevestigden de mythe van de gedurfde openhartigheid en bezorgden De Quincey de reputatie van de uitvinder van de literaire drugsromantiek.

De journalistiek bracht het talent van De Quincey in een stroomversnelling. Terwijl zijn schulden steeds hoger opliepen, werd hij een niet te stoppen veelschrijver. Ook zijn herinneringen aan zijn omgang met Wordsworth en Coleridge maakte hij uiteindelijk schaamteloos te gelde, in smeuïge memoires.

Uiteindelijk leefde De Quincey letterlijk temidden van letters, omringd door stapels boeken en manuscripten, die regelmatig kwijtraakten tijdens de talloze verhuizingen en haastige vluchten, nadat zijn schuldeisers hem op het spoor waren gekomen. Zijn kinderen – op een gegeven moment had De Quincey er acht – moesten vanuit zijn onderduikadressen zijn manuscripten naar de verschillende redacties brengen, en bij talloze leveranciers naar nog weer extra krediet hengelen.

Wanbetaler

Wilson ziet De Quincey’s hang naar opium en naar het maken van schulden als twee kanten van dezelfde medaille – beide waren radicale vormen van ontsnapping uit een werkelijkheid die hij niet het hoofd wist te bieden. Als een echte verslaafde bestreed hij zijn excessen met excessen: nog meer opium, nog meer schulden. Tijdens zijn jaren in Edinburgh werd hij herhaaldelijk publiekelijk als wanbetaler te kijk gezet, waarna hij zijn intrek kon nemen in Holyrood, een vrijplaats voor schuldenaars. Zelfs daar wist hij zich met nieuwe schulden onmogelijk te maken.

Wat Guilty Thing tot zo’n goede biografie maakt, is dat Frances Wilson dwars door alle absurditeiten van De Quincey haarfijn zijn echte, formidabele talent blootlegt. De Quincey begreep uit eigen ervaring dat ieder mens gevolgd wordt door zijn eigen schaduw, een ongrijpbaar ik, gevormd door zijn verleden, waaraan niet te ontsnappen valt. In de menselijke verbeelding, in zijn dromen en fantasie, laat die dubbelganger zich zien. Ook zijn komisch-badinerende essay Over moord beschouwd als een der schone kunsten, dat in de jaren tachtig door Frans Kellendonk werd vertaald, heeft een serieuze ondergrond: moord was, net als opium, een middel om in een afzonderlijk universum, een compleet andere staat van zijn, door te dringen.

De Quincey werd voortgedreven door het besef dat de menselijke geest altijd aan de rand van een afgrond staat, waaronder zich dan weer een nieuwe afgrond opent. Nooit is het dieptepunt bereikt. Dat was de motor van zijn hysterie, zijn vergeefs zoeken naar rust en houvast. Maar juist wanneer hij op het punt stond in weer een nieuwe afgrond te verdwijnen, kreeg zijn talent vleugels – aan het eind van zijn leven, toen hij in alle opzichten aan lager wal was geraakt, schreef hij zijn beste werk. De stilistisch adembenemende ‘Droomfuga’ aan het einde van het late, driedelige beroemde essay The English Mail-Coach (De Engelse postwagen) is behalve een aankondiging van het modernisme à la James Joyce ook een vertroosting door middel van het enige dat De Quincey werkelijk houvast bood – taal.