Magie in tijden van oorlog

Mia Couto

Een klein gehucht dat de storm te verduren krijgt van een ongrijpbare oorlog die op zijn einde loopt. De Mozambikaanse schrijver Mia Couto (1955) voert in zijn tiende roman twee afwisselende stemmen op ten tijde van rampspoed.

De geschiedenis leent zich gemakkelijk voor simplificaties waarin elke belangengroep zijn helden en schurken heeft. Met de koloniale geschiedenis is het niet anders. Schuldig Europa tegenover de onschuld van een maagdelijk continent: zo ziet het verleden er dan in grote trekken uit, of het nu om Amerika, Afrika of Azië gaat. Gedegen studies laten vaak een verwarrender beeld zien, maar wie leest die? Resteert de romanliteratuur om het verleden op een realistischer maar ook complexere manier in te kleuren.

Nee, de Afrikaanse slavenhandel was niet alleen in blanke handen, maar ook in die van Afrikanen, die soms zelf eerder slaaf waren geweest, zo ontdekken we dan bij de Angolese schrijver José Eduardo Agualusa (Een steen onder water). Kolonisten konden niet overleven zonder veel diplomatieke evenwichtskunst met de binnenlandse vorsten, laat de ook uit Angola afkomstige romancier Pepetela zien (Een roemrijke familie). En die vorsten speelden op geopolitiek vlak hun woordje mee, zo geeft Mia Couto (1955) uit Mozambique te verstaan, die overigens net als de anderen in het Portugees schrijft.

Couto’s zojuist vertaalde tiende roman Vrouwen van as speelt zich af tegen de achtergrond van een grote imperiale krachtmeting in de negentiende eeuw. De voornaamste spelers waren de grootmachten Engeland, Portugal en het niet minder expansieve Afrikaanse Gaza-rijk, dat in 1895, het jaar waarin de roman speelt, geregeerd werd door de legendarische heerser Ngungunyane. Erg nobel of heldhaftig gaat het er daarbij niet aan toe, zo maakt Couto duidelijk. Hij richt zijn focus op een klein gehucht dat de storm te verduren krijgt van een ongrijpbare oorlog die op zijn einde loopt. Ook onder de bewoners zelf zijn de grenzen niet scherp afgebakend. De meesten zijn op de hand van Portugal, dat in het gehucht wordt vertegenwoordigd door welgeteld één onmachtige sergeant. Een enkeling kiest de kant van de inheemse strijders, die in wreedheid jegens de dorpelingen (een andere stam, tenslotte) niet onderdoen voor de kolonialen en uiteindelijk het onderspit zullen delven.

©

©

Couto brengt zijn verhaal tot leven via twee elkaar afwisselende stemmen. De vijftienjarige Imani (door haar moeder ‘As’ genoemd) doet in een laconiek mengsel van realisme en sprookjesachtige magie verslag van het wel en wee van haar dorp, familie en haar eigen ontluikende lichaam. De Portugese sergeant schrijft brieven aan zijn overste, die allengs persoonlijker en verwarder worden. In de gecompliceerde verhouding tussen beiden – Imani werkt als huishoudster voor de sergeant – verschuift het overwicht langzaam van hem naar haar, maar ook in die relatie blijft tot aan het einde toe de onbestemdheid overheersen.

Zo’n dubbele stem (de ene mondeling, de andere schriftelijk) gebruikte Mia Couto ook al in zijn debuutroman Slaapwandelend land (1992), waarin hij een andere oorlog opriep: de inwendige strijd die Mozambique na de onafhankelijkheidsverklaring van 1975 jaren zou verscheuren. Net als in De laatste vlucht van de flamingo, vertaald in 2007, vermengt hij daarin niet alleen realisme met legende en dromerige magie, maar verrijkt hij ook het Portugees met Afrikaanse woorden, zinswendingen en uitdrukkingen. In het Nederlands levert zoiets altijd moeilijkheden op en vertaler Harrie Lemmens heeft er ook in Vrouwen van as vanaf gezien equivalenten te zoeken uit onze eigen koloniale woordenschat. Dat verlies wordt voluit gecompenseerd door de tweeslachtigheid van het verhaal zelf, waarin de gebeurtenissen steeds weer ontsnappen aan de greep en het begrip van de lezer. Wat zich afspeelde in Mozambique, en overal elders waarin culturen elkaar aanstootten en doordrongen, wérkelijk betekende, blijft een zaak van onbestemde verbeeldingskracht.

Ger Groot