Bas Heijne: er is wél publiek dat snakt naar diepte en betekenis

Opinie Theatermakers moeten niet jammeren over bezuinigingen, betoogt Bas Heijne. ‘Omarm de crisis. De wereld schreeuwt om duiding en inzicht – om theater.’

Scène uit Door de bank genomen van De Verleiders. Een moderne Lopakhin.

Vrijwel iedereen heeft een herinnering aan een beslissende theaterervaring. Er is een voorstelling geweest die een onuitwisbare indruk heeft achtergelaten. Met een ‘beslissende theaterervaring’ bedoel ik een ervaring die je blik op jezelf en de wereld blijvend verandert, die je wezenlijk anders de zaal laat uitgaan dan je er binnenging.

Een van mijn vroegste beslissende theaterervaringen was de enscenering van Tsjechovs Kersentuin door Art & Pro, in de regie van Frans Strijards uit 1987. Strijards blies in deze regie de Tjechov-conventies aan flarden. Verdwenen was de Tsjechoviaanse weemoed, de zachtmoedige ironie, die uitnodiging tot mededogen met hulpeloze mensen, zoekende zielen, die op een tragikomische wijze niet opgewassen zijn tegen een onherroepelijk veranderlijke wereld. Nee, deze Kersentuin was een hilarisch gekkenhuis, vol personages als ongeleide projectielen, ongeremde absurditeit en slapstick.

Terwijl Tsjechovs personages hardop weeklaagden over de teloorgang van hun prachtige kersenbongerd, overgeleverd aan het platte materialisme van de koopman Lopakhin, die er een soort vakantiepark van wil maken en geen oog heeft voor de geestelijke waarde die de kersentuin vertegenwoordigt en alleen denkt, u weet wel, in termen van nuttigheid en rendement, liet deze enscenering van de Russische toneelklassieker zien hoe men zelf de boel kapot maakte. Niks onafwendbaar noodlot, niks onstuitbare machten van een nieuwe, materialistische tijdgeest, niks onvoorstelbare platheid waartegen fijngevoelige geesten niet opgewassen zijn. Hier was Lopakhin geen blinde macht van buiten, hij was het onvermijdelijke resultaat van verwaarlozing en verslonzing van idealen en betrokkenheid.

Het kostte mij geen moeite om in Strijards’ Russen een elite te zien die zegt op te komen voor geestelijke waarden, voor het beschermen van immaterieel, kwetsbaar geestesgoed. Maar intussen de hele boel aan de duivel en zijn oude moer verkwanselt. We willen dit niet, maar we kunnen niet anders! Het is de slogan van onze tijd geworden.

Betreur fatale compromissen

Het inzicht dat deze enscenering mij gaf, was dat wij meestal zelf onze vijanden in het leven roepen. Dat de barbaren zelden van buiten komen. En als dat wel het geval is, er meestal iemand de poorten wijd open heeft gezet.

Het heeft mij een blijvende argwaan bezorgd jegens cultuurpessimisten, die in manifesten fel van leer trekken tegen de Lopakhins van deze wereld. Ik zou zeggen, voordat je je weeklacht aanheft: kijk in de spiegel, erken je medeplichtigheid, betreur je verdomde luiheid, je achteloze verwaarlozing van de ooit zo glanzende idealen, de fatale compromissen die je hebt gesloten om de boel te redden.

Ook binnen de theaterwereld heerst tegenwoordig de taal van de cijfers – en echt niet alleen omdat de subsidiegever dat eist. Nee, die taal is ook dominant geworden omdat hij zo begrijpelijk is, zo verleidelijk, omdat hij je ontslaat van de verplichting om je in die andere, moeilijke, stamelende taal uit te drukken. Ik bedoel de taal van de emotie, van het inzicht, van de subtiele betekenissen die diep in onze ogenschijnlijk zo alledaagse en platvloerse levens schuil gaan. Anders gezegd, de taal van kunst.

Luister, horen we daar in de verte het kappen van de bijl? Gaat daar, ondanks onze protesten, onze marsen, onze weeklachten en aanklachten van de laatste jaren, onze oproepen en manifesten en niet te vergeten de Staat van het Theater-toespraken, onze geliefde kersentuin niet onherroepelijk tegen de vlakte? Zijn al die pleidooien voor eigen parochie een teken van echt engagement, of toch meer een ritueel, een gelegenheid om jezelf miskend, en dus goed, te voelen?

Hebben de theatermakers het niet zelf op hun geweten, eerst veel te onwerelds en toen, eenmaal wakker geschud door de botte bijl van Halbe Zijlstra, juist te werelds? Miskent het theater de samenleving, zoals de Lopakhins van onze tijd niet ophouden haar in te wrijven – met hun slecht verborgen, oer-Hollandse rancune tegen alles wat wil onderzoeken of zich wil onderscheiden? Of miskent de samenleving het theater door haar te betuttelen, te denigereren – o, het Hollandse gebrek aan respect voor de kunsten. Nee, dan Duitsland, waar de minister naar mijn premières komt!

De politiek lijdt nog aan kunstrancune

Met het toneel gaat het best goed, lijkt nu de heersende opvatting; met de maatschappij slecht. Er is veel kwaliteit, jong talent dient zich van alle kanten aan, Nederlands theater krijgt internationale erkenning, maar de politiek verkeert nog in de naweeën van de kunst- en theaterrancune die ten tijde van Zijlstra handig werd aangewakkerd. Ook met het geld gaat het iets beter – de tocht door de woestijn is voorbij, verklaarde D66-leider Alexander Pechtold vorige week in het Paradiso-debat. De klappen zijn er nog steeds, kijk naar toekenningen van het Fonds Podiumkunsten, maar ze komen iets minder hard aan, lijkt het. De partij die het hoogst in de peilingen staat en iedere vorm van kunstsubsidie wil afschaffen, gaat vast en zeker toch niet regeren.

Volgt na al het weeklagen van de afgelopen jaren nu niet gewoon de berusting – berusting in de nieuwe orde, waarin van theatermakers wordt verwacht dat ze instrumenteel te werk gaan – of om het chiquer te zeggen, verbintenis zoeken met hun publiek? Zeker, niemand wil van onze kersentuin een vakantiepark maken, echt niet, maar wat als het de enige manier is om te overleven? Als het nu eenmaal de tijdgeest is, de veranderende dynamiek in de samenleving, de hegemonie van de consument als smaakmaker, de opkomst van al die nieuwe media, enzovoort enzovoort – moet je je dan niet gewoon voegen naar de tijdgeest?

Die mantra’s zijn overbekend. Onbedoeld leggen ze de dilemma’s van de hedendaagse theatermaker bloot. Ja, theater maak je niet voor jezelf, een volle zaal is iets moois om naar te streven, publiek bereiken is geen bewijs van de artistieke uitverkoop.

Maar de hardnekkige mythe dat het theater neerkijkt op de bezoeker, zich in de meest experimentele bochten wringt om maar niet populair te worden en het volk te behagen, heeft het theater ook schuldbewust gemaakt – en veel te dociel richting de samenleving. Er is nu zo vaak geroepen dat het toneel naar de mensen toe moet komen, publieksbereik tot de hoogste prioriteit moet maken, zich moet voegen naar de smaak van het moment, dat je je afvraagt of het niet tijd wordt de boel om te draaien en tot het omgekeerde op te roepen. Breng de samenleving naar het theater!

Het is namelijk een leugen dat toegankelijkheid en complexiteit niet kunnen samengaan. En een drogreden dat er geen publiek bestaat dat snakt naar diepte en betekenis, ja ook een groot publiek. De Kersentuin die mijn blik vormde, was een vlotte, hilarische voorstelling, en tegelijk vol van betekenis – en iedere avond uitverkocht. Zeker, als je even zoekt vind je wel artistieke ijdelheid en solipsisme in het theater, en ja buiten het theater vind je genoeg onversneden kunsthaat. Maar de wederzijdse fixatie op die kwalijke eigenschappen hebben een scheef beeld van de verhouding van het theater tot de samenleving in het leven geroepen.

heijne2

Zie hoe een mensbeeld op de schop gaat

In Nederland ontaardt ieder sociaal verkeer gauw in sociale strijd, beheerst door de knijpende angst dat een ander zich beter voelt dan jij. De kunsten, en het artistieke theater in het bijzonder, zijn de afgelopen jaren op een perverse manier tot het brandpunt van die strijd gemaakt. De politiek heeft het toen het erop aankwam kleur te bekennen, op alle mogelijke manieren laten afweten – laten we dat niet vergeten, ook niet nu er weer mondjesmaat wat geld richting theater wordt geschoven. De politiek heeft, uit opportunisme, de kunst verraden. En zo kon alle betekenis van de kunsten voor de samenleving worden teruggebracht tot de gekmakende gedachte dat ik belastinggeld moet afstaan aan een klein groepje vrijgestelden, opdat het zich boven mij verheven kan voelen. De naweëen van die karaktermoord zijn nog steeds voelbaar, niet alleen in het effect van de bezuinigingen. Want terwijl er hard werd geweeklaagd over gebrek aan respect, heeft zich onderhuids van het theater een vreemde deemoed eigen gemaakt. De rollen, lijkt men steeds weer te willen erkennen, zijn nu omgedraaid – het is de maatschappij, niet het toneel, die de toon aangeeft.

Maar die nieuwe deemoed is even misplaatst als de hoogmoed die eraan vooraf ging. Het theater is nog altijd onze Kersentuin. Er is veel gekapt, de Lopakhins banjeren tussen de bomen, maar er is genoeg aanplant. Is de crisis dan voorbij? Welnee, de crisis is nog maar net losgebarsten! Kijk om je heen, neem het nieuws tot je, en je ziet hoe een heel mensbeeld op de schop gaat.

Je hoort tegenwoordig wel dat de bezuinigingen het theater goed hebben gedaan. Ja, dat denk ik ook, maar niet omdat men nu leert zijn eigen broek op te houden, zich in te spannen om targets te halen en publiek te bereiken. Het theater is wakker geschud omdat men zelf hard geconfronteerd werd met een wereld waarin allerlei krachten zijn losgewoeld die schreeuwen om duiding, inzicht en bewustwording. Die schreeuwen om theater. Omarm de crisis. Omarm de Lopakhins van deze tijd. Jammer niet over hen, maak zoals Tsjechov deed, toneel van hen.

Onzekerheid is een voorwaarde

Het theater zal altijd een ambivalente verhouding tot de samenleving hebben, want het theater hoort bij de samenleving en wil die tegelijk beschouwen en doorgronden. Altijd zal het theater moeten vechten om vrijplaats te kunnen zijn. Die frictie zal nooit verdwijnen.

Wanneer het theater zich volledig uitlevert aan de samenleving verandert de kersentuin in een pretpark. Wanneer ze zich hoogmoedig verschanst achter de heg, verandert ze in een sekte op een chic landgoed.

Altijd zullen er conventies zijn die doorbroken moeten worden, binnen en buiten het theater – zoals Tsjechov deed in zijn stukken en Frans Strijards, die me bijna dertig jaar geleden een beslissende theaterervaring bezorgde. Steeds opnieuw moet de blik worden gericht, de mens tegen het licht gehouden, de wereld worden verkend, de tijd worden doorgrond. Onzekerheid is daarbij geen stoorzender, onzekerheid is daarbij een voorwaarde.

Dat is de Staat van het theater. Het is niet anders, het is nooit anders geweest. Wees blij dat het zo is.

Dit is een verkorte versie van de rede die Bas Heijne donderdag in de Stadsschouwburg hield bij de opening van het theaterseizoen.

Eerder nam Bas Heijne deel aan ‘VIER ONVERMIJDELIJKE GESPREKKEN OVER KUNST EN DE WERELD’, een debatreeks van Theater Frascati, De Brakke Grond, Boekman Stichting en NRC Handelsblad. Maandag is de laatste editie, met als sprekers onder anderen Marjolijn van Heemstra en Sywert van Lienden, over – onder meer – de toekomst van het theater. Info en tickets: https://www.frascatitheater.nl/node/27598

Moderne Lopakhins en andere kapitalisten op toneel komend seizoen
Volpone, Dood Paard
Slikken en Stikken, De Verleiders
Moszkowicz, Toneelgroep Maastricht

Tsjechovs in het nieuwe seizoen
Een Meeuw van Toneelgroep Oostpool
Ivanov bij de Toneelschuur