De samenleving heeft vooral veel betrouwbare Willems nodig

Het verhaal komt wat moeizaam op gang. In het eerste hoofdstuk van De plantrekkers, het debuut van Heleen Debruyne (1988), maken we kennis met de pas door zijn vrouw gedumpte Willem, die in het weinig sprankelende Roeselare woont. Beginnend buikje, 43 jaar oud.

Willem is halfslachtig doende met het wieden van zijn overwoekerde voortuintje, intussen peinzend over het leven. Hij meent weinig invloed te kunnen uitoefenen op ‘de Grote Gang der Zaken’ en neemt daarom genoegen met een bijrol. Hij laat zich liever verrassen door de dadendrang van mensen uit zijn omgeving, zijn broer Lionel bijvoorbeeld, dan zelf een duidelijk plan te trekken. Een sloom, karakterloos type, zo lijkt het. Een sneue vrijgezel die steeds voor allerlei karretjes wordt gespannen en die voor zijn ‘moeke’ duidelijk op het tweede plan komt. In de hoofdstukken die volgen zien we Willem inderdaad steeds uitrukken om vooral Lionels problemen op te lossen.

Maar Debruyne slaagt erin om deze plichtsgetrouwe computerprogrammeur toch uit te laten groeien tot een ware karakterheld: onbaatzuchtig, betrouwbaar, tolerant en nog gevat ook. In een wereld waarin mensen elkaar aan de lopende band bedriegen, waarin uitgekookte types hun familieleden schaamteloos opzadelen met schulden en de zorg voor een oude schoonmoeder, en paters hun gemeenteleden beroven van geld en goederen, is hij een toonbeeld van kalmte en beschaving.

©

Een zoete feelgood-roman is De plantrekkers intussen niet. De Grote Gang der Zaken voltrekt zich hier in al zijn dagelijkse miezerigheid: troosteloze ‘microgolfmaaltijden’ in ‘plastieken bakjes’, lelijke rijtjeshuizen en op de achtergrond de economische crisis, door een personage ‘kutconjunctuur’ genoemd.

Waarom laat deze zompige Roeselaarse soap, met terloopse uitstapjes naar Italië, Amerika en Rusland, zich dan toch zo prettig lezen? Omdat Debruyne een montere toon heeft en alle misère zeer levendig brengt. De West-Vlaamse tongval doet de rest: veel lavabo’s, vriendschappen die ‘wegdeemsteren’ en mannen die ‘op de lappen gaan’. Een onverwachte bonus voor de lezer is de interessante wending die het verhaal aan het slot nog even neemt, hoe blijft hier even in het midden.

De boodschap van Debruyne is even helder als bedaagd: naast druistige avonturiers zijn er Willems nodig om de boel draaiende te houden en de gemoederen te sussen. Plantrekkers zijn charmant, maar brave burgers vormen het ware cement van de samenleving.