De joodse hooligan krijgt slaag

Mihail Sebastian (1907-1945)

Na zijn dagboek over het Roemenië in het interbellum is nu de iets eerder verschenen, ontluisterende roman uit die tijd in het Engels vertaald. Ook hierin staan antisemitisme en joodse zelfhaat centraal.

Niet veel Nederlanders zullen de Roemeense schrijver Mihail Sebastian kennen. Toch trok zijn Dagboek 1935-1944, toen het in 2007 in vertaling verscheen, de nodige belangstelling, in deze krant van J.L. Heldring.

Uit de dagboeknotities van Sebastian (die eigenlijk Iosif Hechter heette en in een joodse familie in Br˘aila aan de Donau was geboren) komt een ontluisterend beeld naar voren van de Roemeense samenleving tijdens het interbellum. Het antisemitisme is er endemisch, ook in het intellectuele milieu waarin Sebastian zich bewoog. Later wereldberoemde vrienden als de godsdiensthistoricus Mircea Eliade en de filosoof Emil Cioran wisten zich er niet aan te onttrekken en sympathiseerden in de jaren dertig met de semi-fascistische en fel anti-joodse IJzeren Garde van Corneliu Zelea Codreanu.

Hoewel dit voor insiders geen nieuws was, werd het in Roemenië toch als een schok ervaren toen Sebastians Dagboek daar in 1996 postuum aan de openbaarheid werd prijsgegeven. Na de communistische dictatuur had men het vooroorlogse verleden enigszins geïdealiseerd. De lotgevallen van Sebastian, die vanwege zijn joodse herkomst bijna al zijn vrienden kwijtraakte, lieten zien hoe weinig reden daarvoor bestond.

©

©

Als schrijver heeft Sebastian (1907-1945) vooral zijn sporen verdiend met toneelstukken en romans. Een Nederlandse vertaling van zijn bekendste roman De dou˘a mii de ani (Sinds tweeduizend jaar) uit 1934 werd ooit aangekondigd, maar is nooit verschenen. Wel verschenen Franse en Duitse vertalingen en nu is ook een Engelse vertaling uitgekomen, die duidelijk maakt om wat voor een bijzonder boek het gaat.

In zekere zin is de roman een prelude op het Dagboek. De tekst bestaat eveneens uit dagboeknotities, neergeschreven door een anonieme verteller die op Sebastian lijkt, maar zeker niet in elk opzicht met hem samenvalt. En ook nu draait alles om het moeizame leven van een joodse intellectueel in een antisemitische omgeving.

Burgerrechten

De roman begint in 1923 wanneer de verteller rechten studeert in Boekarest. In dat jaar hadden de joden in Roemenië voor het eerst burgerrechten gekregen, wat leidde tot furieuze protesten van onder anderen de studenten die tenminste een numerus clausus voor joden eisten. Sebastians verteller krijgt geregeld slaag van antisemitische medestudenten en meer dan eens wordt hem de toegang tot de collegezaal geweigerd. Hij reageert niet met protest of zelfbeklag, maar ergert zich juist aan de joodse solidariteit die hem wordt opgedrongen. Op het geweld zelf is zijn reactie buitengewoon laconiek: ‘Vandaag kreeg ik op college twee klappen en ik maakte acht bladzijden aantekeningen. Niet slecht, voor twee klappen’.

Via andere personages komen ook zionisme, marxisme en een concentratie op de joodse orthodoxie als mogelijke reacties aan bod, maar de individualistische houding van de verteller krijgt vanzelfsprekend de meeste aandacht. Tegen alle collectiviteit kiest hij voor het eigen Ik. Hij vergelijkt zich met ‘een boom die het bos is ontvlucht’ en probeert daar ‘trots’ op te zijn.

Dat lukt maar zeer ten dele. Zoals meer onzekere intellectuelen monkelt hij over een ‘onvermogen tot waarachtig leven’; het vele lezen en denken gaat ten koste van de ‘instincten’ en de ‘natuurlijke vitale krachten’. Bij een joodse intellectueel pakt het dubbel zo erg uit, want die zou als intellectueel én als jood het echte leven verzaken. De wankele keuze voor het individualisme grenst in de praktijk aan jüdische Selbsthass.

Geen wonder dat deze joodse student hunkert naar goede raad en een lichtend voorbeeld. Beide meent hij te vinden in een charismatische hoogleraar filosofie en economie, die in de roman Chit˘a Blidaru heet en die hem aanraadt architectuur te gaan studeren (concreter dan rechten) om uit zijn impasse te geraken. In werkelijkheid luidde zijn naam Nae Ionescu (1890-1940). Hij was de mentor van een generatie jonge Roemeense intellectuelen, onder wie ook Eliade en Cioran. Op verzoek van Sebastian schreef hij een voorwoord bij diens ‘joodse boek’ en dat zorgde in 1934, toen Sinds tweeduizend jaar uitkwam, voor een geweldig schandaal.

Nae Ionescu bleek namelijk een ongegeneerd antisemitisch voorwoord te hebben geproduceerd, waarin hij het ‘lijden’ van de joden toeschreef aan hun onwil om de Messias te erkennen. Sebastian zelf daarentegen maakt in zijn roman dat lijden tot een ‘metafysisch’ raadsel, dat leidt tot een hopeloze innerlijke verdeeldheid maar dat in feite niemands schuld is. Nu betoogde zijn vereerde ‘professor’ dat het toch echt aan de joden zelf lag. Sebastian was ontzet en diep teleurgesteld, maar hij liet het voorwoord wel afdrukken. Hij had er zelf om gevraagd en wenste geen censuur toe te passen. Bovendien: het ergste was dat Ionescu het geschreven had, de publicatie viel daarbij in het niet.

Sebastian legt een en ander uit in het essay Hoe ik een hooligan werd, waarmee hij in 1935 reageerde op de storm van kritiek die hem van alle kanten ten deel was gevallen. Joodse lezers en critici vonden hem een nestbevuiler en een ‘renegaat’, antisemieten zagen al hun vooroordelen bevestigd. Links en rechts vielen over Sebastian heen, die zowel voor ‘reactionair’ (hooligan) als ‘bolsjewiek’ werd uitgemaakt. Zijn kritische, openhartige, individualistische standpunt werd kennelijk door niemand gedeeld.

Nu had Sebastian ook wel wat uit te leggen. Want jarenlang had hij meegewerkt aan Ionescu’s krant Cuv˘antul (Het Woord), waarin diens anti-liberale en anti-rationalistische ideeën domineerden. Ideeën ontleend aan verwante Duitse denkers als Oswald Spengler en Ludwig Klages – ook bij iemand als Cioran (die in Sinds tweeduizend jaar voorbij komt als de nihilistische café-filosoof Stefan D. P˘arlea) zijn hun sporen nog te herkennen.

Onbetrouwbare mentor

Pas Ionescu’s bekering in november 1933 tot het antisemitisme en de IJzeren Garde, onder invloed van Hitlers triomfen, was een ontwikkeling waar Sebastian niet meer in mee kon gaan. Wat hij zou hebben gedaan zonder deze barrière zullen we nooit weten. Maar uit zijn Dagboek blijkt onomwonden hoezeer Ionescu hem bleef fascineren, in weerwil van al zijn kritiek. Hij dróómt zelfs meer dan eens van hem.

Voor de lezer, op zijn beurt, is juist deze met recht tragisch te noemen verknoping van vriendschap en vijandschap, van verlangen en zelfhaat en van loyaliteit en verraad fascinerend. Sebastian roept een werkelijkheid tot leven die aanzienlijk weerbarstiger en tegenstrijdiger blijkt te zijn dan het latere, naoorlogs heldere onderscheid tussen goed en kwaad suggereert. Daarbij hoort ook de subtiele revanche op zijn onbetrouwbare mentor, waarmee Sinds tweeduizend jaar afsluit.

Sebastians verteller volgt het advies van Blidaru/Ionescu op en is inderdaad architectuur gaan studeren – waarna hij, jaren later, op Blidaru’s verzoek een huis voor hem bouwt. Het is dus de jood die de antisemiet zijn ‘thuis’ bezorgt. Onduidelijk blijft alleen of Sebastian dit plot-element heeft bedacht vóór- of nadat hij Ionescu’s voorwoord had gelezen.

In zijn Dagboek schrijft Sebastian te hopen dat Sinds tweeduizend jaar nog eens zal kunnen verschijnen zonder Ionescu’s voorwoord en zonder zijn eigen explicaties – als zuivere romankunst. De kwaliteit van de tekst rechtvaardigt dat laatste zonder meer.