De grote doos vol alfabetisch gerangschikte Coopergrappen

Archief

Tommy Coopers kartonnen doos met grappen voor elke gelegenheid is verworven door het Victoria & Albert Museum in Londen.

Boven: Tommy Cooper. Onder: De door het Victoria & Albert Museum verworven kartonnen doos vol grappen. Foto’s BBC, Victoria & Albert Museum

Tommy Cooper vertelde dat hij met zijn vrouw op zolder was en ging verder: „Muf en vol spinnenwebben. Maar ze is heel goed met de kinderen.”

Waar haalde hij dat vandaan?

Uit een grote kartonnen doos met duizenden kwinkslagen, veelal met de hand geschreven, op kaarten die alfabetisch op trefwoord waren gerangschikt. Op de w van wives bijvoorbeeld, of de b van boxing. Cooper kon zijn thema’s zo gek niet verzinnen of hij had de toepasselijke grappen binnen handbereik.

Dezer dagen is de collectie, samen met 115 andere archiefdozen van de Britse komiek, verworven door het Victoria & Albert Museum in Londen. De vorige eigenaar was John Fisher, auteur van een gedegen biografie over Tommy Cooper (1921-1984). Vanaf komend jaar exposeert het museum een deel van het materiaal.

Het moet een mooi bezit zijn, zo’n doos vol grappen voor elke gelegenheid. De bonkige droogkomiek die zich bij voorkeur voordeed als een onnozele stoethaspel, grossierde erin en strooide ze tijdens zijn optreden naar hartelust rond. Hoe korter, hoe beter. Zelfs de slapste grapjes wist hij lachwekkend te maken: „Elektriciteit is geweldig. Zonder elektriciteit zaten we nu nog televisie te kijken bij kaarslicht.”

In de vondst van de grappendoos zagen de Britse media vooral een schijnbare tegenstelling. Men keek er danig van op dat de man die altijd zo’n chaotische indruk had gewekt, in werkelijkheid een tabbladensysteem onderhield dat op de meeste kantoren allang in onbruik is.

Maar hij was niet de enige. In Nederland liet de populaire moppentapper Max Tailleur bij zijn dood, in 1990, eveneens een aantal kaartenbakken met moppen na, die nu worden bewaard in de theatercollectie van de Universiteit van Amsterdam. Ook hij had ze alfabetisch op onderwerp gerangschikt en op kaartjes gezet.

De doos van Tommy Cooper is onderdeel van een veel grotere collectie typoscripten, affiches, correspondentie en tekeningetjes om toneelknechten heel precies te laten zien waar elk rekwisiet voor een voorstelling klaar moest liggen of staan. Ook is er een rapport van zijn eerste proefoptreden voor de BBC, in 1947, dat de auditant beschrijft als „een onaantrekkelijke jongeman met een onbeduidende spreekstem en een buitengewoon onfortuinlijk uiterlijk”. Pas enkele jaren later mocht hij alsnog zijn tv-debuut maken.

Met spijt moest V&A-curator Simon Sladen echter toegeven, dat er één attribuut ontbreekt: de rode fez met het dom wapperende kwastje, die Coopers handelsmerk was. Die was nergens in ’s mans nalatenschap te vinden.