Operatie

Wat later dan ik me had voorgenomen, keer ik op deze plek terug. Niet omdat ik aan het onderhandelen was met de KNVB over een van de vele vacatures bij het Nederlands elftal, hoewel ik best zin zou hebben in zo’n vrolijke organisatie waar zoveel te lachen valt. Pas als Blind binnenkort ook aftreedt, ben ik beschikbaar, maar voorlopig blijf ik liever columnist.

Nee, mijn vakantie liep helaas om andere redenen uit. Ik kreeg last van een oogkwaal waarvoor ik me al eerder aan een ander oog had laten behandelen: mouches volantes, ook wel floaters genaamd, drijvende deeltjes in het gezichtsveld, gevolg van vertroebeling van het glasvocht, de gelei die zich achter de ooglens bevindt. Veel mensen hebben daar in lichte mate last van, maar pas als het erg wordt is een operatie – vitrectomie genaamd – wenselijk. Het glasvocht wordt dan compleet vervangen, tijdens de operatie door lucht of gas, daarna ontstaat geleidelijk nieuw eigen glasvocht.

Ik schreef twee jaar geleden enkele columns over mijn operatie. Veel lezers herkenden de kwaal en hadden van hun oogarts dezelfde dooddoener te horen gekregen als ik aanvankelijk: „U zult ermee moeten leren leven, er valt niets aan te doen.” De vitrectomie gold lang als een riskante operatie, er waren maar enkele oogchirurgen die zich eraan waagden.

Daarin is drastisch verandering gekomen. Ik kon de lezers destijds doorverwijzen naar slechts enkele artsen, maar merkte nu dat de vitrectomie in tal van ziekenhuizen een geaccepteerde techniek is geworden. Ik hoefde zelf niet meer maandenlang te wachten op de operatie, nog in mijn vakantie kon dat geregeld worden. Mijn oude arts was vertrokken, maar ik vond een ziekenhuis met enkele jonge oogchirurgen die mij ook konden helpen.

En daar lag ik dan weer op de operatietafel, in een toestand van totale weerloosheid, ook al was ik slechts plaatselijk verdoofd. Er is leuker vakantievertier, maar je moet het niet dramatiseren. ‘Oogoperatie’ klinkt griezeliger dan het voelt. Je ziet vage contouren en kleurvlakken, maar het blijft een abstract gebeuren waarvan de finesses je ontgaan.

Bij mijn eerste operatie stond de radio aan, nu kon ik de gesprekjes volgen tussen de chirurg en zijn assistenten. Die klonken wonderbaarlijk ontspannen voor iemand die onder zijn lakentje krampachtig vergeefs aan iets heel anders probeert te denken.

„Was je op vakantie?”, vroeg de chirurg. Ik kon niet knikken, maar hij had het ook niet tegen mij, maar tegen een van zijn vrouwelijke assistenten. „Ik had een vrije dag”, zei ze. „En wat heb je toen gedaan?” „Ik ben naar het Archeon geweest.” „Dat ken ik niet, oudheden en zo?”

Er volgde een uitleg waarin de „interessante zwaardgevechten” mij opvielen, misschien omdat die ook met snijden en hakken en zelfs ogen uitsteken gepaard gaan. Daarna volgde nog een gemoedelijke gedachtewisseling over een wederzijdse kennis die ongeneeslijk ziek was geworden en over een oud-collega die de chirurg „maar niks” vond.

Als ik goed had kunnen praten, zou ik gevraagd hebben: „Jullie blijven toch wel bij de les, hoop ik?” Aan mijn ongerustheid kwam pas een einde toen de chirurg vroeg: „Gaat het goed onder het laken?” Ik mompelde van ja. „Hierboven ook”, reageerde hij.

Ik kon mijn ogen nog niet geloven, maar hém wel – en dat deed ik toen maar.