Bruckners ‘Vijfde’ fonkelend gespeeld

Blomstedts Bruckner was er een met religieuze ernst, maar ook een positieve ondertoon.

Herbert Blomstedt

Het is haast niet te geloven dat Herbert Blomstedt al 89 is. Zie je hem dirigeren, dan zou je eerder een prille zeventiger vermoeden. De lange Zweed dirigeert met rechte rug, zijn gebaren zijn helder en hij geeft nooit een aanwijzing te veel. Af en toe maakt hij een soort schijnbeweging, alsof hij in het orkest wil duiken. En dan dirigeert hij de ontzagwekkende Vijfde symfonie van Anton Bruckner ook nog eens uit het hoofd.

Dinsdag was Blomstedt met het Gewandhausorchester te gast in de Doelen. Hij is de voormalig chef van het toporkest uit Leipzig, dat voor de pauze met vijftien musici Bachs Vioolconcert in E (BWV 1042) speelde. Als soliste was Vilde Frang (1986) aangetrokken. Op papier een garantie voor succes, de Noorse is een van de succesvolste violisten van haar generatie, maar in de communicatie tussen Frang en het ensemble ging een hoop mis. Het orkest speelde al te gracieus over de puls heen; zo kon het gebeuren dat Frang op een gegeven moment twee tellen op het ensemble voorliep.

Blomstedts Bruckner was er een met religieuze ernst, maar ook een positieve ondertoon. Het strijkerscorps maakte indruk met een donkere glans, de trombones verleenden het een klinkend aureool. De solo’s waren weinig karaktervol, zodat je haast verlangde naar de vrije geesten van de aanvoerders van de vaste bespeler van de zaal, het Rotterdams Philharmonisch. Het vraag-antwoordspel tussen strijkers en koperblazers in de finale was zeldzaam aangrijpend. Het orkest speelde hypergeconcentreerd; Blomstedt liet het majestueus flonkeren.