Twintigers zoeken smartelijk geluk

Februari, Maxim 8 2013 036

Ik ben even kwijt wie het was. Of het Plato was of de Amerikaanse Grondwet of Mark Zuckerberg van Facebook. Hoe dan ook, iemand heeft gezegd dat de mens ernaar streeft gelukkig te zijn. In de eeuwen die op deze uitspraak volgden, is het begrip ‘geluk’ een eigen leven gaan leiden en langzaamaan heeft het de lichte toets gekregen van vrolijkheid, feestelijkheid, samenzijn.

Nou spreek ik de laatste tijd toevalligerwijs steeds twintigers en dertigers die op zoek zijn naar liefde en geluk. Daarbij valt het me op dat ze zich dat geluk vrij smartelijk voorstellen. Goed, ze willen niet alleen blijven in het leven, maar ze hopen iemand te vinden die ‘niet al te vrolijk’ is. Een beetje ‘Weltschmerz’ blijkt, net als ‘mineur’, een aanbeveling. ‘Er mag wel een duistere kant aan zitten.’ In hemelsnaam ‘niet zo iemand die alles uit het leven haalt’. Geen blij mens, alsjeblieft.

Waarschijnlijk denk ik hier te diep over na. Waarschijnlijk zit ik te lang op een stoel in huis, verzonken in gepeins, en negeer ik mijn omgeving. Want terwijl ik nog over dat verlangen naar treurnis gebogen zit, sturen mensen me artikelen toe over eenzame sterfgevallen. Vragen ze zich wellicht bezorgd af of ik nog in leven ben? Uit de post vis ik een krantenartikel van een paar jaar terug, toen in Rotterdam net iemand was gevonden die tien jaar dood in huis had gelegen.

Nederland was ontdaan. Maar in Trouw schreef Leonie Breebaart dat je niet kon weten of de vrouw het zelf ook zo akelig had gevonden alleen te sterven. Dankbaar citeerde ze twee deskundigen die uitlegden dat sommige mensen nu eenmaal met rust gelaten willen worden. ‘Zelfs om ongelukkig te zijn.’ En hier werd de kwestie interessant. Streefde de mens er volgens Plato immers niet naar gelukkig te zijn? Of hebben sommige mensen juist een voorkeur voor ongelukkig zijn? En maakt ze dat dan per ongeluk weer gelukkig?

Het is maar net hoe je geluk definieert, natuurlijk. Zelfs als je tien jaar lang dood in huis ligt, hoeft dat gebrek aan vrolijkheid en feestelijkheid geen inbreuk te zijn op je geluk. Is de omgeving ontdaan door je eenzame dood, dan is ze dat vooral omdat ze wil dat je ‘gezien’ bent, gekend, en dat je in contact staat met je medemensen. Maar die omgeving zou ook, om voor het laatst Breebaart te citeren, eens kunnen kijken naar ‘de verticale dimensie’. Misschien bestaat er een wezen dat iedereen van bovenaf ziet, kent en in herinnering houdt – en is dat genoeg voor geluk.

Hier hoor ik de twintigers zuchten. Ze wilden een beetje smart en diepgang, oké. Maar om er nu meteen weer zo’n hele toestand van te gaan maken? Met theologische zijpaden ook nog? En jawel, daarin hebben de twintigers gelijk, maar we kunnen wel mooi twee eigentijdse vragen stellen rondom die verticale dimensie. Ten eerste de vraag wat het betekent gezien te worden. Ten tweede de vraag waarnaar we streven als het niet naar contact met de medemens is. Wees maar niet bang dat ik plotseling zelf helemaal verticaal wens te worden. Ik weet wat ik doe.

Het eerste punt, het verlangen ‘gezien’ te worden, is recent veel aan de orde. Onlangs nog vulde iemand er een televisieavond mee. Ze liet weten in haar jeugd niet gezien te zijn, besprak in verband daarmee het slechte huwelijk van haar ouders, liet ontluisterende filmbeelden zien van andermans huwelijk, homevideo’s van andermans dronken vader, kwetsbare beelden van halfnaakte mensen. Maar op de vraag of ze zelf in een relatie was verwikkeld, gaf ze liever geen antwoord.

Terwijl gans televisiekijkend Nederland geestdriftig de openheid van deze vrouw prees, vroeg ik me af wat openheid hier betekende. Draaide het er niet op uit dat alleen de ander verplicht was zich naakt te tonen? Dit nieuwe tijdperk verwart volgens mij voyeurisme net iets te gemakkelijk met openheid. De ander moet gezien worden, de ander moet gekend zijn en mag niet met rust worden gelaten. Maar als het erop aankomt, wordt de mens zelf het liefst gezien met de deuren dicht.

Goed. Als dat zo is, als niet iedereen contact wil met iedereen, als sommigen misschien contact willen met niemand – wellicht willen ze dan contact met iets anders? Niet met de maatschappij, maar met zichzelf, met de natuur, met het al, met iets daarboven, daarbuiten, het leven zelf? Er is immers meer in de kosmos dan de maatschappij alleen. Je hoeft niet op de televisie of op visite om gezien te worden, je kunt ook op een boomstronk gaan zitten en gezien worden door het bos.

De maatschappij is een nuttige uitvinding, maar gelukkig bestaan we daarbuiten ook nog. In de wilde natuur, in het barre oog van de oneindigheid. In dat weinig feestelijke duister waaruit de zuchtende twintigers hun grote liefde hopen te zien komen.