De opmars van de privémusea

Privémusea

Met Museum Voorlinden ontwikkelde kunstverzamelaar en zakenman Joop van Caldenborgh een museum voor zijn collectie. Steeds vaker beginnen verzamelaars een eigen museum.

Cy Twombly voor zijn eigen werk, in een aparte galerie van de Menil Collection in Houston Foto Michael Stravato/ Hollandse hoogte

Op een houten piramide, op een grasveld boven de aflopende kust, spelen op een zomerse zondagmiddag drie jazzmusici in de tuinen van Museum Louisiana. Een half uurtje van Kopenhagen liggen luisterende jongeren op de grasvelden, vanaf het volle terras van het museumrestaurant kijken mensen toe. Door de beeldentuinen eromheen lopen toeristen langs de werken van Henry Moore, Alexander Calder en Richard Serra. Ook in de tentoonstellingszalen waar Louisiana een deel van zijn vaste collectie toont met veel abstract Amerikaans werk, spreken de bezoekers verschillende talen. Het museum is zo een ontmoetingsplek en ontspanningsoord voor Deense en buitenlandse bezoekers.

Gevraagd naar musea die als voorbeeld hebben gediend, komt het Louisiana voor in het rijtje dat Joop van Caldenborgh en Wim Pijbes noemen. Het is al een oudje onder de private musea. Opgericht in 1958 door de Deense ondernemer Knud W. Jensen, is het uitgegroeid tot een internationaal instituut, dat inmiddels een kwart van zijn inkomsten van de Deense overheid ontvangt.

Bekijk ook de fotoserie over Museum Voorlinden: Museum Voorlinden is een oase in de duinen

Sinds de eeuwwisseling is het aantal private musea in de wereld snel toegenomen, blijkt uit een onderzoek dat Larry’s List eerder dit jaar publiceerde. Voor hedendaagse kunst telde het onderzoeksbureau er 317, waarvan bijna de helft in Europa. 70 procent van al die private musea zijn sinds 2000 opgericht.

Veel van die musea zijn opgericht door collectioneurs die vaak pas na een jaar of twintig verzamelen hun eigen museum openden. Denk in de laatste jaren alleen al aan de nieuwe musea van Fondation Prada in Milaan, het Louis Vuitton Museum van Bernard Arnault in Parijs of de Garage van de vrouw van oligarch Abramovitsj in Moskou.

Inspiratiebronnen

Met zijn 75 jaar is Van Caldenborgh met de opening van Voorlinden volgende week een late debutant. Hij is tien jaar ouder dan de gemiddelde eigenaar van een privaat museum en heeft flink de tijd genomen om zijn eigen museum te beginnen. Behalve het Louisiana ziet hij Fondation Beyeler in Basel, de Menil Collection in Houston, Naoshima in Japan en Broad Museum in Los Angeles als inspiratiebronnen. Het zijn voor een deel musea die niet in de grote steden gevestigd zijn, maar in een periferie waar veel meer groene ruimte is. Musea waar je enige moeite voor moet doen om ze te bezoeken. Naoshima is daar het meest pregnante voorbeeld van. Dat museum op een eiland ver van de grote Japanse steden is alleen met de veerboot bereikbaar. Op verschillende plekken heeft de Japanse architect Tadao Ando in opdracht van een Japanse uitgever museumgebouwen weggewerkt in het landschap, in een oud dorp zijn huisjes omgebouwd tot huisvesting voor kunstwerken. Bij het centrale Benesse House Museum is een hotel gebouwd, gasten mogen ’s nachts door de zalen trekken waar kunstwerken hangen van Bruce Nauman, Frank Stella, Gerhard Richter en Richard Prince. Voor installaties van James Turrell en Walter De Maria zijn aparte gebouwen opgetrokken.

De inspiratiebronnen voor Voorlinden zijn musea die gelden als publiekstrekkers. Dat geldt voor veel private musea in de wereld niet. Slechts eenderde van die musea heeft meer dan 20.000 bezoekers per jaar. Daar horen de inspiratiebronnen van Van Caldenborgh en Pijbes niet bij. Fondation Beyeler is in zijn bijna twintigjarig bestaan gegroeid naar jaarlijks meer dan 330.000 bezoekers, de Menil Collection, die in 1987 in Houston opende, trekt circa 220.000 bezoekers.

Qua omvang zijn deze twee musea vergelijkbaar met Voorlinden. Met een totale oppervlakte van bijna 6.000 vierkante meter, waarvan de helft tentoonstellingsoppervlak, valt Voorlinden in dezelfde categorie als de Menil (4.308 vierkante meter). Daarmee zijn ze groter dan het gemiddelde private museum, dat volgens Larry’s List een oppervlak heeft van 3.400 vierkante meter in totaal.

Ook in collectie-omvang stijgt Voorlinden ver boven het internationale gemiddelde uit met circa 8.000 werken. 43 procent van de private musea heeft niet meer dan 500 werken in zijn eigen collectie en nog eens 27 procent tussen de 500 en 1.500. De Menil Collection heeft er ruim 16.000, en heeft aparte gebouwen die gewijd zijn aan werken van Cy Twombly en Mark Rothko.

Gratis toegang

De Menil Collection is gratis toegankelijk. Dat geldt voor meer dan de helft van de private musea. Slechts 14 procent vraag meer dan 10 dollar entree. Voorlinden gaat 15 euro vragen, vergelijkbaar met de toegangsprijs van Louisiana en goedkoper dan Beyeler (25 euro). Het geeft aan dat bezoekersinkomsten voor Voorlinden van belang zijn. Over het verdienmodel laten Van Caldenborgh en Pijbes weinig los. Ook bij de vergelijkbare musea is dat lastig te achterhalen, omdat ze lang niet allemaal een jaarverslag publiceren.

Louisiana doet dat bijvoorbeeld niet. De inrichting van het Deense museum verraadt echter dat ook winkel en restaurant moeten bijdragen. De museumwinkel in de hal is niet te vermijden. Vanuit verschillende zalen loop je automatisch het restaurant binnen.

Bij Fondation Beyeler vormen de entree-inkomsten met zo’n 11 tot 12 miljoen euro een belangrijk deel van de totale jaarlijkse inkomsten van 15 tot 17 miljoen euro. Dat laatste is een vergelijkbaar bedrag als de Menil Collection, dat vorig jaar 19,7 miljoen dollar als budget had. Maar dan zonder entree-inkomsten.

Alleen al om de fiscale aftrekbaarheid niet in gevaar te brengen, heffen de Amerikaanse private musea juist geen entree. Zij zijn ook wat scheutiger in hun financiële verantwoording. Zo geeft Menil uit Houston in zijn jaarverslag aan dat de inkomsten in 2015 voor 40 procent uit het eigen vermogensfonds kwamen, 26 procent met verhuur van het vastgoed werd binnengehaald en 32 procent uit fondsenwerving bij vrienden, sponsors, mecenassen en uit inkomsten van het hotel kwam.

Verwevenheid

In kapitaal zijn ze allemaal echter onvergelijkbaar met de Broad Collection. Die Amerikaanse zakenman opende vorig jaar zijn eigen museum middenin Los Angeles, waarvan het neerzetten van het gebouw van 11.000 vierkante meter 140 miljoen dollar had mogen kosten. In het vermogensfonds dat het museum financiert, stortte hij 200 miljoen dollar. Behalve tot tijdelijke tentoonstellingen is ook hier de toegang gratis. Behalve de grote bibliotheek die Broad heeft laten aanleggen, lijken er minder raakvlakken met Voorlinden.

Toch is er een grove overeenkomst tussen Van Caldenborgh en Broad. Zoals Broad zich jarenlang intensief bemoeide met de publieke musea in Los Angeles, heeft Van Caldenborgh jarenlang een rol gespeeld in de besturen van Boijmans Van Beuningen en het Gemeentemuseum Den Haag. Ook streed hij de afgelopen jaren als interim-voorzitter voor het voortbestaan van post-academische opleiding De Ateliers.

Die contacten tussen de museumstichtende collectioneurs en de publieke instituties zijn overal aanwezig. De verzamelaars zijn betrokken bij opleidingen, bij kunstevenementen, bij publieke musea en zijn vaak ruimhartig in hun bruiklenen. Ze zijn eigenlijk een onlosmakelijk onderdeel van de kunstwereld van de 21ste eeuw geworden, geen land kan meer zonder. Ook Nederland niet.