Cultureel omnivoor, blakend van levenslust en optimisme

Popmuziek en literatuur, de grote liefdes van Pieter Steinz. Liefdes die hij in vele artikelen en boeken verenigde. Ordening, was een andere voorliefde. Prachtige schema’s maakte hij. Ook nadat hij getroffen was door de ziekte ALS, bleef hij vol blakend optimisme aan het werk.

Foto Roger Cremers

‘Een slecht bericht’ stond er als onderwerp vermeld in de e-mail die Pieter Steinz in de zomer van 2013 verzond aan vrienden. Hierin schreef hij in nuchtere woorden dat eindelijk de diagnose van zijn aanhoudende kwalen was gesteld. Wat hij al langere tijd vreesde, stond nu vast: hij had de onbehandelbare spierziekte ALS, in de agressieve, ‘bulbaire’ vorm die begint met keelspier- en stemklachten. Na de vaststelling dat zijn naderende dood vooral voor zijn vrouw Claartje en zijn kinderen Jet en Jan triest was, liet hij weten dat hij beslist niet bij de pakken ging neerzitten. Om te beginnen zou hij met vakantie gaan naar Midden-Europa, een gebied waar hij op zijn vele reizen nog niet zo vaak was geweest. Daarna zou hij, onder meer, foto’s gaan inplakken. Misschien zou hij een paar uur per dag blijven werken als directeur van het Nederlands Letterenfonds. Hij eindigde met het verzoek om te wachten met de verspreiding van het nieuws. Dat was moeilijk voor een journalist, wist hij, ‘maar misschien niet voor een journalist met vakantie’.

Het ‘slechte bericht’ was Pieter Steinz ten voeten uit: lucide, aardig, geestig en blakend van levens- en werklust. Ondanks de hemeltergende lijdensweg die hij moest gaan zou hij tot zijn einde op maandagavond 29 augustus zo blijven. Toen ik anderhalf jaar na de onheilstijding mijn oudste zoon weer eens vertelde over de volstrekt stoïcijnse wijze waarop Steinz zijn aftakeling onderging, zei die dan ook: „Voortaan noemen we stoïcijns stoïsteinz”.

Lijstjes

Voor Steinz in 2012 directeur van het Nederlands Letterenfonds werd, had hij tweeëntwintig jaar bij NRC Handelsblad gewerkt. Bij deze krant was hij eind 1989, na vier jaar werken bij de Universiteit van Amsterdam, begonnen bij het nu niet meer bestaande supplement Agenda. Een paar jaar later werd hij redacteur van het Cultureel Supplement. Als geen andere kunstredacteur wist Steinz hoge en lage cultuur met elkaar te verenigen. Van begin af schreef hij vooral over literatuur en popmuziek, zijn twee grote interesses die hij al had samengebracht in zijn scriptie over de teksten van Randy Newman, waarmee hij in 1986 was afgestudeerd in de Engelse taal- en letterkunde. Zo verbond hij in 1992 in ‘Door eros tot Jezus’ het werk van Prince op een vanzelfsprekende manier met de literaire verbeelding van ‘the expectation of the apocalypse’ door grote Amerikaanse schrijvers als Edgar Allan Poe en Herman Melville. Al heel vroeg zag Steinz in dat Prince niet alleen een ‘pleitbezorger van het fatalistisch hedonisme’ maar ook ‘een bijbelse onheilsprofeet’ was. En als de historicus die hij ook was, schreef hij een even serieuze recensie over De roos en het zwaard, het nieuwe stripalbum van Goscinny en Uderzo over Asterix en Obelix uit 1991, als over de nieuwe vertaling van de Jaarboeken van Tacitus.

Al in 1991 publiceerde Steinz zijn eerste boek, Meneer Van Dale Wacht Op Antwoord, over verdwenen ezelsbruggetjes en schoolrijtjes. Dit boekje zou richtinggevend zijn voor veel van zijn latere boeken. Steinz was verzot op gidsen en hield van lijstjes en rangordes van boeken, kunstwerken en popsongs. Die maken en vaststellen was voor hem een manier om de wereld te ordenen en in zijn greep te krijgen.

Zijn grootste wereldordeningsproject werd Lezen &cetera uit 2003, een ‘gids voor de wereldliteratuur’ die is gebaseerd op het idee dat geen literair werk geheel op zichzelf staat en altijd verwant is met andere boeken. Op Lezen &cetera. Gids voor de wereldliteratuur, volgden andere gidsen en overzichten, zoals Lezen op locatie. Atlas van de wereldliteratuur, Klein cultureel woordenboek van de wereldliteratuur (2006) en het Web van de wereldliteratuur (2007).

Zwanenzangen

Veel van de ‘boekwebben’ in Lezen &cetera, waarin bekende boeken in een netwerk van andere literaire werken zijn geplaatst, verschenen in de Boekenbijlage van NRC Handelsblad, waaraan hij eerst als redacteur literatuur en sinds 2006 als chef was verbonden. De ‘boekwebben’ waren niet de enige originele bijdragen van Steinz aan de Boekenbijlage. Steeds was hij op zoek naar nieuwe benaderingen van oude en nieuwe literatuur dan de gebruikelijke recensies en beschouwingen. Zo maakte hij reizen naar de plekken waar de ‘literaire fundamenten’ van Europa zouden liggen, zoals de streken waar legendarische literaire figuren als Wilhelm Tell, Dracula en koning Arthur zouden hebben geleefd. Hij schreef er voorbeeldige reportages over, die werden gebundeld in Macbeth heeft echt geleefd (2011).

Schermafbeelding 2016-08-30 om 11.56.30

Ook over zijn andere liefde, popmuziek, schreef Steinz, meestal met andere journalisten, series artikelen waarvan het thema vrijwel altijd door hem werd verzonnen. Een opmerking dat in A Change Is Gonna Come, het laatste nummer van Sam Cooke, een aankondiging van zijn vroegtijdige dood is te horen, bracht hem onmiddellijk op het idee om een reeks artikelen op de Achterpagina te beginnen over de laatste liederen van vroeg overleden popsterren. De stukken werden in 2006 gebundeld Zwanezangen. Later schreef hij, samen met Bertram Mourits, in 2011 en 2014 twee delen Luisteren &cetera, de popmuziekversies van Lezen &cetera over het web van de popmuziek in respectievelijk de jaren zeventig en tachtig.

In ‘Vraag niet voor wie de klok luidt’, het artikel met de omineuze titel dat Steinz bij zijn afscheid als chef van de Boekenbijlage in 2012 schreef, bekende hij dat hij nooit de drang had gehad om een grundlegende Darstellung over de stand van zaken in de Nederlandse literatuur te schrijven. „Misschien komt het doordat ik als historicus en anglist in de literatuurkritiek verzeild ben – en niet zoals zoveel van mijn collega’s als neerlandicus – maar ik schreef en las altijd liever een stuk over een boek of een interview met een schrijver dan een essay over de rol van de kritiek of het vermeende gezagsverlies van de boekbespreker”, zo voegde hij eraan toe in een passage die zich laat lezen als een retroactief manifest voor zijn eigen werk.

„Het mooiste stuk dat in mijn jaren bij de krant in het CS heeft gestaan, vind ik dan ook ‘De plezierfactor’, een voorpagina-artikel waarin de jong gestorven wetenschapsredacteur Felix Eijgenraam schreef over zijn obsessieve leeshonger. Het stuk was geïllustreerd met grafieken en staafdiagrammen, beschreef tongue-in-cheek een systeem om in ‘boekenschriftjes’ te noteren welke boeken je las, die vervolgens te waarderen volgens het Michelin-sterrensysteem, en dan aan het eind van het jaar het aantal sterren door het aantal boeken te delen om zo te bepalen wat de plezierfactor van het voorbije jaar was.”

Vasthoudend

Het vertrek van Pieter Steinz als chef van de Boekenbijlage in 2012 kwam voor bijna iedereen als een verrassing. Een droombaan had hij zijn werk immers altijd genoemd. ‘Chef boeken’ was hem dan ook op het lijf geschreven. Niet alleen schreef hij zelf vlekkeloze stukken en liep hij over van de ideeën voor artikelen die je in geen andere krant kon lezen, maar ook was hij een toegewijde en precieze eindredacteur. Zijn eindredactie ging gepaard met lange discussies over grote en kleine zaken, zoals de vraag of Jood en Joods nu wel of niet met een hoofdletter moest worden geschreven. Tot zijn vertrek bleef Steinz met steeds weer nieuwe argumenten volhouden dat Joods, anders dan het Groene Boekje voorschreef, met een j in onderkast moest beginnen. Want, zo was zijn belangrijkste argument dat hij niet moe werd te herhalen, het jodendom is een religie en christenen en moslims schrijf je ook niet met een hoofdletter.

Zijn vasthoudendheid heeft een rol gespeeld bij zijn plotselinge vertrek bij NRC Handelsblad. Toen in 2012 een nieuwe vormgeving van NRC Handelsblad werd geïntroduceerd die een reductie betekende van het aantal woorden in de Boekenbijlage, bleef hij zich daar met tal van argumenten tegen verzetten. Dat leidde uiteindelijk tot een aanvaring met de hoofdredactie die hem deed besluiten te solliciteren op de vacature van directeur van het Fonds Nederlandse letteren.

Een paar maanden voordat Steinz vertrok bij NRC Handelsblad, was hij onder de titel Made in Europe aan een serie artikelen begonnen over de cultuur die de oude wereld bindt. Als culturele omnivoor sprong hij ook in deze serie met groot gemak over van hoge naar lage cultuur, van het Zwarte Vierkant van Malevitsj tot ABBA en van Palladio tot Prada. Eind 2012 werd Made in Europe in de zaterdagkrant stopgezet, maar Steinz ging er, alweer volhardend, mee verder op een site die hij er voor in het leven riep. In het voorjaar van 2014 verscheen de bundeling van zijn 104 artikelen over de kunst en cultuur van Europa. Met ruim 60.000 verkochte exemplaren werd Made in Europe een bestseller.

Bij de presentatie van Made in Europe in een vol Paradiso in Amsterdam was de verlamming al zo ver voortgeschreden dat Steinz niet meer kon spreken en nauwelijks nog kon lopen. Toch begon hij een paar weken later aan een nieuwe serie in NRC Handelsblad: Lezen met ALS. Het werden zijn mooiste stukken, waarin hij op een ontroerende, soms ijzingwekkende maar altijd onsentimentele wijze het verloop van zijn ziekte verbond met de boeken die hij (her)las.

Monter

Naast Lezen met ALS begon Steinz nog aan andere boeken. Met zijn dochter Jet maakte hij een herziene en uitgebreide versie van Lezen &cetera, die in 2015 verscheen en al gauw De dikke Steinz werd genoemd - Steinz was een merk geworden. In hetzelfde jaar schreef hij ook het Boekenweekessay: Waanzin in de wereldliteratuur.

Zoals Steinz het verloop van zijn ziekte in Lezen met ALS beschreef zonder enige verbittering, zelfbeklag of boosheid, zo kwam er ook in het echte leven geen klacht over zijn lippen. Hij had een mooi leven gehad, liet hij herhaaldelijk weten, met een geweldige vrouw en fijne kinderen die hij volwassen had zien worden. Hij had de boeken geschreven die hij wilde schrijven of was daar nog mee bezig en, ook niet onbelangrijk, alle foto’s waren inmiddels ingeplakt.

Wie hem bezocht, voerde dezelfde soort gesprekken als in de tijd voor hij ALS had. Ook toen hij niet meer kon spreken, veranderde dit niet. Met behulp van een spraakprogramma op een iPad, waar een Vlaamse vrouwenstem de woorden uitsprak die hij typte, bleef hij dezelfde montere, geestige man met het ijzeren geheugen die altijd vol belangstelling vroeg naar het leven en werk van de bezoeker. Zelfs toen het lijden aan het einde van zijn het leven zichtbaar ondraaglijk was, was hij nog bezig met een boek: het derde deel van Luisteren &cetera, over de popmuziek uit de jaren zestig. Kort voor zijn dood zei de Vlaamse vrouw dat hij nog één ding moest doen: een stuk schrijven over Boudewijn de Groot. Het is hem gelukt.