Wat voorafging: Natan wilde een laatste, verontschuldigende groet brengen aan de slachtoffers van MX17. Het mislukte grandioos – door het weg- halen van het cellofaan rond de bloemboeketten

Feuilleton in 60 afleveringen

56/60

President Tsaar op Obama Beach

A.F.Th. van der Heijden

Wat voorafging: Natan wilde een laatste, verontschuldigende groet brengen aan de slachtoffers van MX17. Het mislukte grandioos – door het weghalen van het cellofaan rond de bloedboeketten.

Het caféterras, rijkelijk van parasols voorzien, zat vol, maar Branda was geheel alleen weggekropen in het halfduister van de gelagkamer, aan de leestafel naast een bak met achtergelaten paraplu’s. Zoveel schichtigheid kondigde doorgaans een aanval van Tinus Tinnitus aan. Voor haar stond een glas afgekoeld water op een schoteltje, met een open sigarenkist ernaast vol verschillende smaken theezakjes. ‘Gaat het, Brannie?’ Ze keek me aan alsof ze me niet herkende, maar mijn naam wist ze wel nog. ‘Natan, zeg even dat ik niet droom.’

‘Als je droomt,is het met open ogen.’ En zij: ‘Tinusis verdwenen.’ En ik weer: ‘O, Tinus heeft je laten stikken… nou, dan had je ook wel even naar het monument kunnen komen. ‘Ik ben zo bang, Natan, dat het stilte voor de storm is… dat hij zo meteen weer uit alle macht op zijn aambeeld begint te rammen, en dan echt nooit meer ophoudt.’

Ik vroeg haar wat er op dit moment in haar hoofd gaande was. Ze zei: ‘Wat jij ook hoort. Terrasstemmen gedruppel in de spoelbak. Verder niks.’ ‘Wanneer … eh verliet hij je?’ ‘Door wat jij daar bij dat gedenkteken ging doen, moest ik steeds aan toen denken… dat jankende cellofaan over de telefoon. Door de herinnering werd het geluid in mijn hoofd steeds scherper. Een afgemeerd schip dat aan z’n touwen trekt. Ze kreunen niet, die kabels, ze gillen. Er renden ratten over, en die schreeuwden ook, heel hoog.’

‘En toen werd het ineens stil…’

‘Jij belde, je zei iets over muisstille bloemen. Ik drukte je weg, en het was net of ik Tinus wegdrukte. Gewoon, met mijn nagel. Het schip gilde niet meer. Ik dacht: hij komt zo wel terug. Ik ben altijd op ’m bedacht. Die hele roestige ijzerhandel van ’m, ik weet er blindelings de weg. Die schurende tramrails… ik droom soms van een oliespuitje zoals een dorstlijer in de woestijn van een oase kan dromen. Kom maar op, Tinus, denk ik dan, mijn oren staan wijdopen. Ik lust je rauw. Nu hij al anderhalf uur weg is, peer ik ’m ineens van de angst… dat hij terugkomt.’

‘Probeer even aan iets anders te denken,’ zei ik. ‘Kom, we gaan wat bloemen redden, voordat de zon ze allemaal gekookt heeft.’

Mijn rivaal Tinus Tinnitus keerde niet terug. Branda durfde niet eens te herademen, bang dat een diepe zucht, het graven naar vrije lucht in de longen, iets in haar gehoorgangen zodanig in het ongerede zou brengen dat de snerpende kermis weer op volle sterkte daar was. ’s Nachts lag ze op haar rug in bed, heel sereen, alsof ze een halve decimeter boven de matras zweefde, beducht voor elke onnodige beweging. Het duurde maanden eer ik haar meekreeg naar het hospice (de benaming ‘levenseindekliniek’ namen we nooit in de mond) om de gereserveerde plaats te annuleren. Met zijn plotselinge vertrek had Tinus haar bijgelovig gemaakt. Als ze hardop zou zeggen dat hij weg was, en nooit weerom zou komen, geheid dat hij het op z’n fatsoen trok en het volgende moment weer op de stoep zou staan. Ze was er lange tijd zo van overtuigd dat Branda de annulering bijna weer had afgezegd: als het weer begon te spoken in haar hoofd, zou ze het hele traject, dat nu nog binnen bereik voor haar uitgestippeld lag, opnieuw moeten veroveren.

Toch zag ik haar opbloeien. ‘Vrijen maakt het erger,’ had ze al jaren geleden over de tinnitus gezegd. ‘Alsof je in een bakfiets vol oude bedspiralen over een zandweg met keien en kuilen rijdt.’ Het benam ook mij op den duur de lust. En nog steeds was ze er beducht voor dat ze door te heftig minnekozen de zich schuilhoudende Tinus zou provoceren. Ze hield zich zo krampachtig in dat ze wel frigide leek.

‘Een koelkast zoemt hartstochtelijker,’ zei ik, maar ze durfde zelfs een bevrijdende lach niet aan.

Als ik me wel liet gaan, incidenteel, legde ze een vinger dwars over mijn lippen. ‘Laat dat, Branda… mocht Tinus ons horen, dan geeft hij geen antwoord meer. We hebben hem het zwijgen opgelegd.’

Langzaam werd ze toeschietelijker. Ik probeerde haar ertoe te bewegen een oude verslaving weer op te pakken: haar woest slingerende fontein. Ze liet zich niet ver- murwen, bang dat ze in plaats van de zilveren sproeistraal een krijsend lawaai zou baren, dat nooit meer te stoppen viel.

Handtekening A.F.Th. van der Heijden

Het zevenvijftigste deel van dit feuilleton verschijnt dinsdag 30 augustus op nrc.nl/afth.