Kunst-oase met vakantiegevoel

Collectie

Museum Voorlinden is een enclave van kunst en natuur. De harde realiteit wordt er buitengehouden.

De semi-permanente installatie van Roni Horn (‘Untitled’, 2012-2013) bestaat uit massief glazen objecten van vijfduizend kilo per stuk foto walter herfst

Het meest veelzeggende werk in de collectie het nieuwe museum Voorlinden in Wassenaar is een beeldengroep van de Australische kunstenaar Ron Mueck. We zien twee oudere mensen in badkleding, meer dan levensgroot, die onder een parasol op de houten museumvloer liggen – zijn hoofd ligt op haar benen, zij kijkt liefdevol op hem neer. Het tafereel is zo ontspannen, zo teder, dat je het strand er vanzelf bij denkt – en je beseft ook meteen hoe perfect dit werk past in dit museum. Want Voorlinden is een oase, een enclave van kunst en natuur.

Selfmade kunstverzamelaars

Het gebouw is strak en imposant, het ligt achter een riant landhuis bij de duinen, wordt omgeven door een weelderig bloeiende tuin van ontwerper Piet Oudolf – en binnen staat het vol met hedendaagse kunst. Daarmee is Voorlinden een fascinerende nieuwe loot aan de kleine stam van grote particuliere musea die we in Nederland al hadden: het Kröller-Müller in Otterlo en De Pont in Tilburg. Elk van die musea vangt de particuliere verzamelaars-tijdgeest op een eigen manier: Kröller-Müller is het symbool van een rijke verzamelaar die de opkomende westerse avant-garde omarmde, De Pont vierde vijftig jaar later de triomf van diezelfde avant-garde – klassieke, kunsthistorisch gefundeerde musea zijn het allebei.

Voorlinden is echter andere koek. Dit nieuwe museum is een product van de particuliere verzamelaarscultuur die opkwam in het midden van de jaren negentig: nieuwe, rijke, selfmade kunstverzamelaars met een aankoopbudget dat veel groter is dan dat van de traditionele musea, die zich bij hun aankopen door niemand of niets de wet wensten te laten voorschrijven. Niet door de kunstgeschiedenis. Niet door de smaak van anderen. Alleen hun eigen smaak is hun leidraad – en nou ja, misschien een beetje de markt.

Grappig genoeg heeft die vrijheid de laatste tien jaar een golf van particuliere musea opgeleverd die enorm op elkaar lijken. Allemaal zitten ze in dezelfde strakke, witte modernistische gebouwen en allemaal putten ze voor hun collectie uit dezelfde lijst van, zeg, zestig tot tachtig internationale kunstenaars die om markttechnische redenen de norm zijn geworden. Aan die lijst hebben verzamelaar Joop van Caldenborgh en zijn artistiek directeur Suzanne Swarts zich niet kunnen (of willen) onttrekken en dus trekt ook hier een fors deel van de internationale kanonnenparade voorbij: Olafur Eliasson, Andy Warhol, Ai Weiwei, Ron Mueck, Roni Horn (haar ‘glasbakken’ zijn het nieuwste verzamelaarsparadepaardje), Damien Hirst, Richard Serra, James Turrell en Ellsworth Kelly – van wie het museum trouwens maar meteen een prachtige, licht weerbarstige, zeer uitgebreide solotentoonstelling presenteert.

Escapisme

Veelzeggender voor Voorlindens ambities zijn echter de afwijkingen van de norm – en daar zie je perfect wat er gebeurt als je de particuliere verzamelaarscultuur in een museum importeert. Vanuit het standpunt van de traditionele kunstgeschiedenis gezien is de ‘eigenheid’ van Voorlinden een grabbelton, een allegaartje, waarin jonge ‘beurskunstenaars’ als Leandro Erlich (zijn ‘zwembadsculptuur’ wordt ongetwijfeld Voorlindens grote conversation piece) worden gecombineerd met half-vergeten kunstenaars als Robert Kinmont en Turi Simeti en een intrigerend nestje oudere Italianen als Enrico Castellani, Maurizio Nannucci en Massimo Bartolini. Maar al snel besef je dat daar wel degelijk een programma achter steekt: Voorlinden toont de kunst van de drukke, rijke verzamelaar die in zijn vrije tijd langs galeries gaat en over beurzen struint en zich laat verleiden door de krachtigste impulsen. Dat levert heel veel klap-voor-je-kop-kunst op, kunst die verbaast, die je wilt aanraken of waarom je kunt lachen en die je vooral niet dwingt tot het lezen van lappen tekst of je te verdiepen in een context.

Daarin zit, vrij subtiel, ook de triomf verborgen van deze nieuwe artistieke elite: ze laten zien dat kunst niet langer is voorbehouden aan de traditionele intellectuele voorhoede, met al hun pretenties, maar dat ze zelf heel goed in staat zijn nieuwe criteria te introduceren – en dat die criteria ook nog eens worden gesteund door het grote publiek. Dat is vast de reden dat er in Voorlinden geen enkele video is te zien (video is saai en traag en lastig) en er ook geen enkel werk wordt getoond waarin maar iets van buitenwereld, maatschappij of engagement valt te bespeuren – dat willen we toch niet hebben, op onze vrije dag?

Dat is de crux: Voorlinden kiest er nadrukkelijk voor om te balanceren op de grens van kunst en amusement en zet vol koers richting escapisme. Is dat erg? Om misverstanden te voorkomen: ik vond het er geweldig, het gebouw, het licht, de werken dragen allemaal bij aan een tintelend gevoel van vakantie uit de werkelijkheid – alsof je met een teletijdmachine naar een perfect uitgevoerde kunst-oase ben gekatapulteerd. Maar zoveel escapisme stemt ook ongemakkelijk, want is kunst daar wel voor bestemd? Onderscheidt kunst zich niet van amusement omdat het jou als toeschouwer niet alleen toont wat je graag wilt zien, maar je ook confronteert met nieuwe, verrassende, misschien wel schokkende ideeën, inzichten, gevoelens? Daar zit misschien wel de verborgen boodschap van particulieren musea als deze, die tenslotte zijn ontstaan op basis van het geld en de ideeën van de geslaagden van deze wereld: kijk maar, de wereld is zo gek nog niet, er valt zoveel te genieten, er hoeft eigenlijk niks veranderd te worden. Life is a beach! De mate waarin die boodschap je aanspreekt, bepaalt ongetwijfeld het plezier dat je aan Voorlinden beleeft.