Mister Rijks is nu directeur van ‘museum in het groen’

Interview Wim Pijbes, Suzanne Swarts en Joop van Caldenborgh

Op landgoed Voorlinden in Wassenaar realiseerde zakenman Joop van Caldenborgh zijn droom: een museum van internationale allure dat zijn kunstcollectie herbergt. Directeur Wim Pijbes positioneert Voorlinden nadrukkelijk als een nieuw museum in het groen.

Wim Pijbes, Suzanne Swarts en Joop van Caldenborgh, in het werk van Leandro Erlich Foto Merlijn Doomernik

Als een ware natuurgids stapt Wim Pijbes door de Wassenaarse duinen. De oud-directeur van het Rijksmuseum wijst op een boskikkertje dat voor zijn voeten wegspringt en een blauwe libelle die laag boven het helmgras zweeft. Ineens hurkt hij neer en tilt een stekelige tak op. „Dit is dauwbraam, géén gewone braam. Hoe ik dat weet? Dauwbraam blijft laag bij de grond. Een gewone braam klimt omhoog.”

Mister Rijks

Pijbes (1961) heeft zich niet zomaar in de flora en fauna van het duinlandschap verdiept. Zijn nieuwe werkplek, Museum Voorlinden, ligt middenin een 40 hectare tellend natuurgebied en wil zich nadrukkelijk positioneren als ‘Museum and Gardens’. Pijbes: „Wij zijn een nieuw museum in het groen. Je ziet hier vijf landschappen bij elkaar: bos, oude strandwallen, jonge duinen, weilanden en aangelegde tuinen. De diversiteit aan planten en dieren is uniek. Samen met het waterzuiveringsbedrijf, Dunea, gaan we het landschap nu ontsluiten.”

Iedereen vroeg zich af wat Pijbes bezielde toen hij bekendmaakte dat hij het Rijksmuseum verruilde voor het nog ongeopende privémuseum van chemietycoon en kunstverzamelaar Joop van Caldenborgh (1940). Velen hadden gedacht dat Pijbes zou kiezen voor een groot internationaal museum. „Mensen vonden het een rare overstap. Maar dit museum en zijn tuinen zijn qua oppervlakte groter dan het Rijks.” Ook Van Caldenborgh was verbaasd toen Pijbes, die in het bestuur van Voorlinden zat, zijn interesse kenbaar maakte. „Toen ik de profielschets doorlas, dacht ik: wat een leuke functie eigenlijk”, zegt Pijbes. „Ik zei tegen Joop: ik ga er zelf ook eens over nadenken. Zo is het gekomen.”

Zelfs zijn vrouw zei aanvankelijk: weg bij het Rijks? Wim, ben je mal geworden? Pijbes: „Alsof het iets is wat je eigenlijk niet kunt doen, het Rijksmuseum verlaten. Maar ik voelde dat daar een cyclus was afgerond en dat ik begon na te denken over andere mogelijkheden. Dan ben je eigenlijk al afscheid aan het nemen. Ik zal niet zeggen dat ik last had van sleur, want bij het Rijks is niks sleur, maar ik werd wel steeds meer vereenzelvigd met het Rijksmuseum. Ik werd Mister Rijks, en dat is niet goed. Er zijn de wildste speculaties in de pers verschenen: ‘Pijbes is gestruikeld over de aankoop van de twee Rembrandt-portretten’. Nou echt niet.”

Kelder

Zijn nieuwe werkgever, Joop van Caldenborgh, verzamelt al vijftig jaar moderne en hedendaagse kunst. Diens Caldic Collection telt „enkele duizenden stukken” en is naar verluidt de grootste privé-verzameling in Nederland. Delen ervan waren in 2002 in Museum Boijmans Van Beuningen te zien, en in de Kunsthal, in 2011. Van Caldenborgh deed datzelfde jaar pogingen om in Rotterdam een plek te vinden voor zijn museum, net als in Den Haag, waar hij opgroeide en in het Gemeentemuseum zijn liefde voor kunst ontwikkelde. „Ik wilde graag een locatie in de natuur”, zegt hij. „Die was daar niet te vinden.”

Van Caldenborgh kende landgoed Voorlinden omdat hij er zelf vlakbij woont. Daar, in de beeldentuin bij zijn huis, ontstond het idee om een eigen museum te beginnen. „We ontvingen zo vaak mensen dat we zeiden: laten we een paviljoentje bouwen waarin we die mensen kunnen ontvangen. Toen zei ik: dan maken we er ook een zaaltje bij waar we wat schilderijen kunnen ophangen. Dat paviljoentje hebben we ook laten ontwerpen, door Herzog & De Meuron, maar die waren toen zo druk dat het er niet meer van kwam. Daarna kwam er weer een andere architect en ineens hadden ze een heel museum bedacht.” Voorlinden was al een paar jaar te koop, maar er gingen volgens de verzamelaar heel wat onderhandelingen aan vooraf voor hij het in juni 2011 aankocht voor 15 miljoen euro. „Het aanschaffen was een leuk avontuur, laat ik het daarbij houden.”

Lees ook: Daglichttempel

Om inspiratie op te doen reisde Van Caldenborgh samen met zijn hoofdconservator, Suzanne Swarts, die nu artistiek directeur wordt van het museum, langs privémusea in het buitenland. Van Caldenborgh: „We keken dan bijvoorbeeld naar het licht in die musea, en naar de architectuur. We hebben veel gezien wat we niks vonden, en zo nu en dan zagen we iets wat we wel wat vonden. Uiteindelijk is dit eruit gekomen. Het is heel bewust een gebouw geworden dat dienend is aan de kunst.”

Touwtjes in handen

Opgetogen wandelt Van Caldenborgh door de hoge zalen, waar het daglicht gefilterd naar binnen valt en waar niets afleidt van de ervaring van de kunstwerken. „U zult hier nergens spotjes, stopcontacten, camera’s of rookmelders tegenkomen. Maar ze zijn er wel degelijk. Hier in deze witte muur zit bijvoorbeeld een bordje verwerkt dat de weg wijst naar de nooduitgang. Dat licht alleen op als er brand is. De brandweer heeft het goedgekeurd. Ik heb er patent op aangevraagd.”

Pijbes: „Er is geen museum in de wereld dat dit heeft. Ik was ook flabbergasted.”

Van Caldenborgh: „Ga eens in andere musea kijken en zie hoeveel luiken er in de vloeren zitten, of hoeveel van die vreselijke camera’s er hangen. Ik heb echt gevochten tegen die luiken. Bouwers willen luiken in de vloeren, en stopcontacten en datapunten, het liefst rood en midden op de muur. Ze zitten er, maar je ziet ze niet. Het was geen sinecure om dat voor elkaar te krijgen. Bouwers en ontwerpers zeggen al heel snel: gaat niet, doen we niet, daar moet je maar mee leren leven. Maar ik wil daar niet mee leren leven.”

Swarts: „Joops motto is: kan niet bestaat niet.”

Tijdens het hele bouwproces hield Van Caldenborgh de touwtjes stevig in handen. „We hebben dertig aannemers gecontracteerd. Ik heb drie bouwkundigen in dienst genomen om het te bouwen. Wij waren de hoofdaannemer, Suzanne en ik. Wij zijn hier vijf jaar elke dag geweest.” Swarts: „Bouwhelm op, laarzen aan, en zo begonnen we de dag. Rondje lopen.”

Het meest trots is Van Caldenborgh misschien nog wel op de 700 vierkante meter tellende kelderruimte van het museum, waar de klimaatinstallatie staat. Ook die is strak vormgegeven, met kasten die allemaal dezelfde kleur blauw zijn. „Die waren eerst oranje, groen en blauw. Ik heb geëist dat ze allemaal blauw werden. En al die draden lopen kaarsrecht. Meestal is het in de kelders van musea een rommeltje en slaan ze er ook van alles op. Ik wil laten zien dat het ook daar mooi kan zijn. Wanneer je iets goed kunt doen, moet je het ook goed doen. In ons land wordt dat al snel vertaald als perfectionisme.”

Prima vista

De openingstentoonstelling, Full Moon, is een door Swarts samengestelde „a-historische dwarsdoorsnede” uit de collectie en biedt de bezoeker een intuïtieve reis langs de voorkeuren van Van Caldenborgh. Het expressionistische schilderij Maannacht (1912) van Jan Sluijters hangt er naast een recent klein abstract doekje van Francis Alÿs. Van Caldenborgh: „Waarom moet ik alleen Cobra verzamelen, of alleen realistische kunst? Mensen die zo verzamelen, zijn heel saaie mensen. Ik heb verzameld wat zich vandaag de dag afspeelt. Daar zijn heel abstracte kunstenaars bij en heel figuratieve. Ik heb niet de neiging een overzicht te willen geven.”

Swarts: „De bedoeling is dat het niet hiërarchisch hangt. Dus of iemand nu beroemd of groen is, doet er niet toe. We hopen zo dat de werken de bezoeker vooral met hun visuele kracht raken. Er zijn geen zaalteksten en op de tekstbordjes staat alleen de naam van de kunstenaar, de titel en het jaar. Opdat de kijker gemotiveerd wordt zelf te kijken en zelf te ervaren. Dat is ook de manier waarop we verzamelen. We kijken, laten ons raken en gaan pas in tweede instantie op zoek naar de achtergrondinformatie van het kunstwerk. In principe zou die voorkennis geen voorwaarde moeten zijn om iets te willen verwerven.”

Pijbes noemt die manier van kijken ‘prima vista’. Daarin lijken hij en Van Caldenborgh wel een beetje op elkaar, zegt hij. „We zijn beiden impulsief. Ik zie een kunstwerk en weet direct of ik het goed vind of niet. Als ik het op het eerste gezicht niet interessant vind, kun je het blijven uitleggen tot je een ons weegt. Het moet direct bij me binnenkomen, of het nu een zeventiende-eeuws stuk is of een Ellsworth Kelly. Joop is ook prima vista. Hij koopt heel intuïtief, heeft een goed instinct voor wat goed is en wat niet. Echte conceptuele kunst zullen we hier niet tonen. Het draait toch om de visuele associaties. We hangen werken samen die inhoudelijk niets met elkaar te maken hebben, maar die toch rijmen. Een soort fusion-cooking is het.”

De vloek van Magritte

Het lievelingswerk van Van Caldenborgh is van Marcel Broodthaers. „Dat heb ik al vrij vroeg gekocht, in de jaren tachtig. Het heet De vloek van Magritte. Ik heb jaren naar dat kunstwerk gekeken, maar ik begreep nooit waarom het zo heette en de kunstenaar was al overleden, dus ik kon het hem niet vragen.” Hij wijst naar een schilderij op de muur ertegenover. „Totdat ik op een dag op de Tefaf dat werk tegenkwam. De vloek van Magritte uit 1931. Daar heeft Broodthaers dus met zijn kunstwerk op gereageerd. Ik heb tot de laatste dag van de beurs gewacht voordat ik zoveel geld dorst uit te geven. Ze vroegen er zoveel voor.”

Zes kunstwerken in het museum hebben een min of meer permanente plek. De sculptuur Open Ended (2007) van de Amerikaan Richard Serra, een cortenstalen kolos van 216 ton, heeft een eigen zaal gekregen met uitzicht over de tuin van Piet Oudolf. Er is een zinsbegoochelend indoorzwembad van de Argentijn Leandro Erlich en een creepy zonnend echtpaar van de Australiër Ron Mueck, beide in hun eigen zaal.

Aan de Amerikaanse lichtkunstenaar James Turrell gaf Van Caldenborgh de opdracht om een ‘Skyspace’ te ontwerpen voor het museum, een soort meditatieruimte waarin een vierkante opening in het plafond uitzicht biedt op de hemel. „Dat ging heel charmant”, vertelt Van Caldenborgh. „Hij kwam en hij zei: geef mij een kamertje en een stuk papier, dan zal ik het ontwerpen. Hij heeft het hier ter plekke getekend. Ik had er alleen niet op gerekend dat dat schetsje zoveel zou kosten. En dat ik daarna dat hele ding zelf mocht bouwen, voor een klein vermogen.” Hij zegt het gekscherend, want hij is dolblij met de Skyspace. „Twee maanden geleden was Turrell hier om het licht goed in te stellen. We hebben hele nachten hier gezeten, van ’s avonds laat tot ’s morgens vroeg, want in de schemering is het werk het mooist.”

Aan oud-Stedelijk-directeur Rudi Fuchs vroeg Van Caldenborgh de openingstentoonstelling te maken, over Ellsworth Kelly, een schilder die ook goed vertegenwoordigd is in de collectie van het Stedelijk Museum in Amsterdam. Maar een concurrent van het Stedelijk wil Voorlinden zeker niet worden, benadrukt Pijbes. „Musea doen het al jaren heel goed, er is veel animo voor. In die groeiende markt kan er best nog wel eentje bij. Bovendien willen wij geen encyclopedisch museum zijn, zoals het Stedelijk, Boijmans of Kröller-Müller is. De signatuur van de verzamelaar is bij Voorlinden natuurlijk heel sterk aanwezig. Zijn geest hangt boven het geheel. De opstelling is heel intuïtief, die is duidelijk niet door een museumconservator gemaakt. Wij spelen hier geen Stedelijkje of Boijmansje. Wat wij hier hebben, hebben zij niet. Net zomin als Louis Vuitton en Miuccia Prada hebben wat wij hebben. Voorlinden is Voorlinden.”

Verkoper

Van Caldenborgh heeft zijn hele collectie en het gebouw intussen ondergebracht in een stichting. Zelf blijft hij bij het museum betrokken als bestuurslid („Als dat mag van Wim”). En hij blijft, „met hulp van Suzanne”, verzamelen. „Wim mag het museum runnen.” Pijbes: „Iedereen moet doen waar hij goed in is.”

Over de verwachtingen van bezoekersaantallen durven ze niets te zeggen. Pijbes: „We gaan geen getallen communiceren, omdat we gewoon nog geen idee hebben.” Het onderzoek dat werd uitgevoerd om de verkeersdrukte op de omliggende wegen te peilen, ging uit van 75.000 bezoekers. Maar een vergelijkbaar museum als Fondation Beyeler in Basel begon met 20.000 bezoekers per jaar, een aantal dat sindsdien almaar is gestegen, weet Van Caldenborgh. „Het moet langzaam ontdekt worden. Maar ik doe dit om mijn kunst met mensen te delen. Dus als iedereen wegblijft, zou dat wel jammer zijn.

„Mijn vrouw vroeg laatst: wat doe je als er niemand komt? Het antwoord is heel simpel. Ik ben gepensioneerd, dus dan staan wij ’s morgens op ons gemakje op, en zeg ik tegen haar: kom we gaan naar het museum. Dan loop ik even vooruit en doe ik de deur open, zit ik achter de kassa en zeg: twee kaartjes mevrouw? En dan zegt zij: graag. Daarna lopen we samen gezellig door het museum. En vlak voordat we bij de uitgang zijn, loop ik weer wat vooruit, om de winkel te bemannen, want ik ben een goede verkoper. En mijn vrouw koopt. Na het afrekenen moet ze snel zijn, want dan moet ze zich haasten om in het restaurant koffie voor ons te zetten. Zo wordt het toch nog leuk. Dus het kan eigenlijk niet verkeerd gaan.”