Jett Rebel kiest tegen de technische snufjes, vóór de naakte waarheid

Interview Deze week verschijnt het nieuwe album van Jelte Tuinstra, alias Jett Rebel. “Ik wil niet klinken als een dj.”

Portret van Jett Rebel Foto Andreas Terlaak

Zanger Jelte Tuinstra, alias Jett Rebel, gaat zitten in een diepe stoel, legt een handtasje neer, een dik boek van Haruki Murakami en een stemvork. Het boek moet hem door loze momenten helpen, zegt hij. De zanger, inmiddels 25 jaar en nog altijd flamboyant, strijkt het lange haar over zijn schouders naar achter. „Ik kan slecht tegen wachten.” En de stemvork? „Die is om zuiver te blijven. Om te weten dat ik in de goede toonsoort denk.” Hij grinnikt. „Dat klinkt overdreven. Ik vind het gewoon fijn om naar de ‘a’ te luisteren. Die is zo puur.”

De naakte waarheid

Hij wijst naar de muur, die is volgehangen met gitaren. We zitten in de showroom van Gibson, in Amsterdam, hier leent Tuinstra zijn live-gitaren. „Als je een gitaar elektronisch stemt, kom je altijd iets hoger of lager uit. Een stemvork is de waarheid.”

Meer nog dan gitaren, zullen zuiverheid en het vermogen om zuiverheid vast te stellen, het gesprek bepalen. Want Jelte Tuinstra heeft het afgelopen jaar radicaal partij gekozen. Tegen de kunstmatige popmuziek, vóór de naakte waarheid.

Eerste aanwijzing voor de nieuwe koers was het afgelopen winter verschenen album Truck, met daarop 27 schetsen van liedjes, opgenomen op een manier die tegenwoordig zeldzaam is: onopgesmukt en rudimentair. Die opnamestijl is volgehouden op het tweede deel van het dit jaar te voltooien drieluik, Don’t Die On Me Now, dat deze week verschijnt. Truck was een fontein van ongebreidelde muzikaliteit; op Don’t Die.. werden de nummers verder uitgewerkt, samen met bandleden Xander Vrienten (basgitaar) en Kees Schaper (drums). De manier van opnemen mag bescheiden klinken, onder nummers als Teenage Man en Devious Child brandt een flink vuur, van snedige gitaarsolo’s en swingende drums, aan elkaar gespeeld door melodieuze baslijnen.

Multi-instrumentalist

Anders dan op zijn debuut Hits For Kids (2014), waar piano domineerde, speelt gitaar nu de hoofdrol. Van alle instrumenten staat de gitaar hem het meest na, zegt Tuinstra, „die voelt als mijn eigen armen en handen”. Toch presenteert Tuinstra, die aan het conservatorium studeerde, zich nadrukkelijk als multi-instrumentalist. „In mijn hoofd was ik ooit een ziekgoede jazzpianist, in de stijl van Bill Evans. Maar de afgelopen vier jaar heb ik de meeste studie-uren gemaakt achter het drumstel. En ooit was ik volbloed-bassist, daar vond ik mezelf het best in.”

Het is zijn bedoeling om álles te kunnen, in muzikaal opzicht. „Als ik muziek luister verschijnen alle partijen en instrumenten voor mijn ogen. Ik ‘zie’ wat er gespeeld wordt, hoe het is opgenomen, wanneer, met welke microfoons. Dat ratelt allemaal langs.” Hij tikt op zijn oor. „Vaststellen in welke toonsoort iets staat, dat kan ik nog niet snel genoeg. Daar ga ik op trainen.”

Welk voordeel levert dat op? „Eigenlijk niets, maar het is goed voor m’n gemoedstoestand”, hij haalt zijn schouders op, „omdat het mijn vak is. In deze tijd is het niet gebruikelijk om als muzikant bezig te zijn met dingen als muziektheorie of noten lezen. Gitaar oefenen is al uitzonderlijk.”

Hij draait de stemvork tussen zijn vingers. „Met enige wrok kan ik zeggen dat ik mensen om me heen gouden platen zie krijgen, omdat ze op de computer met blokjes hebben zitten schuiven. Ik voel me soms sneu als ik steeds studeer, en ondertussen links en rechts word ingehaald door mensen die alleen bezig zijn met handjes in de lucht te krijgen.” Hij wacht even. „Ik wil ook gouden platen. Misschien komt het door mijn onzekerheid. Ik werk hard, ik wil serieus genomen worden.”

Nieuw bewustzijn

De meeste muzikanten beginnen hun carrière met een ruwe stijl en klinken later meer gepolijst. Tuinstra’s ontwikkeling verloopt tegengesteld, blijkt uit de klank van de twee laatste albums. Hij zegt dat hij zich schaamt voor sommige beslissingen uit het verleden. „Toen deed ik concessies aan de tijd waarin ik leef. Alles was echt gespeeld, maar ik maakte gebruik van technische snufjes. Langzamerhand drong tot me door dat die snufjes niet voorkomen in de muziek die ik zelf mooi vind, en dat ik daar vanaf gedreven was.”

Hij veert op. „Bijvoorbeeld: tegenwoordig wil iedereen zo dik en vet mogelijk klinken. Als je een basdrum hebt opgenomen en die klinkt niet dik genoeg dan moet er een synthetische klap bij, en als de opname klaar is wordt alles nog eens in elkaar gedrukt met limiters en compressors zodat het, als het op de radio gedraaid wordt, als ‘pwwf, pwwf’ uit de radio knalt. Ook live wil iedereen zo klinken: ‘Pwwf, pwwf’”, de hak van zijn fluwelen instappers stampt het ritme. „En dat komt doordat we moeten optreden voor of na een dj die beschikking heeft over een elektronische basdrum die 15.000 zo hard is als het dingetje waar wij op trappen.”

Hij valt terug in zijn stoel. „En waarom? Ik zit niet in dit vak om te klinken als een dj. Ik wil niet met mijn tijd mee. Ik ben klaar met die onzin.” Hij heeft nog hoop dat het tij zal keren. „Dat mensen over tien jaar terugkijken naar 2016, toen Jett Rebel drie albums uitbracht. En dat die een voorbode bleken van een nieuw bewustzijn: voortaan willen we onze muziek echt en ambachtelijk.”