Bussemaker pleit voor diverser en jonger programma

Weinig feestelijk was hij, de speech waarmee Cultuurminister Bussemaker vrijdagavond het tiendaagse Festival Oude Muziek opende.

Countertenor Philippe Jaroussky Foto Anna van Kooij

Directeur Xavier Vandamme memoreerde opgetogen dat zijn festival terug is in de Rijksbegroting. Bussemaker temperde de pret door te waarschuwen voor mogelijke nieuwe magere jaren. Ze drong er - „apetrotse” lof ten spijt – op aan dat het festival meer moet inzetten op een groter, diverser en jonger publiek – en dito programmering. Over de wenselijkheid daarvan kun je opbouwende gesprekken voeren, maar Bussemaker minimaliseerde de impact van haar aansporing door het Rijksmuseum en de recent verworven Rembrandts (Marten en Oopjen) als voorbeeld te stellen. Voor de 160 miljoen die die doeken kostten, kunnen ruim zestig Festivals Oude Muziek worden opgetuigd.

Jaloersmakende vocale beheersing
Muzikaal was het een mooie, maar te tamme openingsavond. De gespeelde vocale werken van Johann Rosenmüller (1619-1684) zijn, zeker in de hier gekozen bezetting met acht zangers en vijftien musici, eigenlijk te intiem voor de Grote Zaal van Vredenburg. In een van de vele festivalkerken waren ze beter tot hun recht gekomen, en zou ook duidelijk zijn geworden dat de soms erg snelle tempi historisch gesproken weinig aannemelijk zijn. Daar kwam bij dat de op zich fraai gepolijst zingende en spelende Angeli Génève onder Stephen MacLeod brutale ritmische figuren beschaafd gladstreken, waardoor je je – de welluidendheid van het ensemble niet te na gesproken - afvroeg wat het motief is geweest juist dít ensemble als Artist in Residence te nemen, en met juist dít programma het festival te openen.
Beter was het geweest te beginnen met de grote ster dit jaar op het festival: countertenor Philippe Jarousssky. Met zijn ensemble Artaserse bracht Jaroussky zaterdagavond een uitgebalanceerd programma met muziek van onder meer Cavalli, Steffani en Rossi – repertoire dat hem uitstekend ligt. Op het podium stond een ontspannen zanger met een jaloersmakende vocale beheersing, die ook zijn versieringen beter weet te doseren dan voorheen.

Flair van een chansonnier
Jaroussky zit met zijn herkenbare, boventoonrijke stemgeluid aan de etherische kant van het countertenorenspectrum. Een randje in de laagte, zoals Bejun Mehta dat wel voortbrengt, heeft hij niet. Maar is dat erg? Ook zonder die grimmige onderkant is Jaroussky met de flair (en soms snik) van een chansonnier, geloofwaardig. En dan heeft hij nog een troef: zijn ensemble is een verlengstuk van zijn stem, en weet precies de juiste kleuren toe te voegen.

Artaserse hield de vaart erin door alle aria’s improviserend in elkaar te laten overlopen. Ook wanneer Jaroussky niet zong was het feest: de soli van violist Raul Orellana – volksmuziekachtig maar gestoeld op gedegen kennis van barokke retoriek – waren meeslepend. Het absolute hoogtepunt was de toegift Sì dolce è’l tormento van Monteverdi, aanvankelijk alleen met luit en harp. Onvergetelijk.