Wat voorafging: In de wandelgangen van het Internationale Strafhof werd gediscussieerd over de mate waarin ‘de massa’s’ schuld hadden aan de oorlogen.

Feuilleton in 60 afleveringen

55/60

President Tsaar op Obama Beach

A.F.Th. van der Heijden

Wat voorafging: In de wandelgangen van het Internationale Strafhof werd gediscussieerd over de mate waarin ‘de massa’s’ schuld hadden aan de oorlogen.

Ik moest iets doen. Een verontschuldigende groet aan de doden halverwege het rampzalig verlopende proces. ‘Weet je nog, Bran, dat ik je jaren geleden vanuit Hilversum opbelde, en je toen dat geluid liet horen… dat geknisper?’

‘Hou op,’ zei Branda, naar haar hoofd grijpend. ‘Toen het eenmaal in mijn kop zat, wilde het er niet meer uit. Het vrat aan mijn hersenen. Zo klinkt Nederland in de rouw… zoiets zei je.’ Ik zei: ‘Ik wil dat geluid nog een keer de lucht in sturen… voor de slachtoffers van MX17.’ En Branda: ‘Niet met mij erbij. Ik heb mijn portie gehad. Ik ben al blij als ik de doden een schietgebedje kan zenden zonder dat ik ouwe trams door de bocht hoor gillen.’

Er was een subtropische week in aantocht: ideaal weer voor knagend cellofaan. Ik dacht eerst aan de ingang van de Hilversumse identificatiekazerne, maar Branda leek het MX17-monument gepaster. Ze vroeg: ‘Waar koop je vijftienhonderd boeketten… op de veiling in Aalsmeer?’ Ik zei: ‘Gewoon bij een doorsnee bloemenzaak. Het moet zoveel mogelijk lijken op een spontaan eerbetoon. Net als toen. Boeketje voor boeketje neergelegd.’

We kozen voor de Flower Shop aan de Overtoom, die zijn bloemen in zinken emmers buiten onder de luifel had staan. Ik nam een in cellofaan voorverpakt bosje mee naar binnen, bestaande uit gele fresia’s, felkleurige margrieten en een enkele witte roos, dat alles ‘op volume’ gebracht met varens en ander groen. Ik legde het op de toonbank. ‘Zo wil ik er vijftienhonderd. Allemaal ongeveer even duur, maar verschillend samengesteld.’ Het winkelmeisje keek me aan of ik een pistool op haar richtte en de inhoud van de kassa opeiste. Ze haalde haar baas van achteren, die zei: ‘Zo’n grote bestelling zal ik ergens moeten plaatsen.’ Ik gaf hem het adres van het gedenkteken, en zei: ‘Vraag me niet waarom, maar ik wil dat de boeketten bij het monument in de volle zon komen te liggen.’ De bloemist: ‘Beroepshalve raad ik het u af, maar ik heb geleerd me niet al te zeer met de speciale wensen van mijn klanten te bemoeien.’ Ik weigerde de korting die hij me aanbood.

Het werd inderdaad een snikhete dag. Branda vergezelde me naar het monument, maar Tinus Tinnitus indachtig verkoos ze in een naburig café het einde van de ceremonie af te wachten. Rondom het bronzen gedenkteken lagen de vijftienhonderd bloemboeketten uitgespreid – half in de schaduw nog, maar dat zou spoedig veranderen, want de zon was aan het klimmen. De bestelwagen van de bloemistenketen stond er nog, met de man van de Overtoom ernaast. ‘Alles naar wens, meneer? U kijkt zo sip.’

Het duurde even eer ik iets kon uitbrengen. ‘U heeft er geen cellofaan omheen gedaan.’

‘Ik dacht, dat is een fleuriger gezicht,’ zei de bloemist. ‘Als de mensen ergens een boeket neerleggen, op de plek van een ongeluk of zo, laten ze altijd de verpakking erom. En weet u wat het is… door het vocht uit de stelen en met die warmte zoals vandaag beslaat het cellofaan aan de binnenkant. Dat biedt zo’n kleurloze aanblik… dat is mijn eer te na.’

Daar was de geluidstechnicus die mijn ‘groet aan de doden’ voor de radio kwam opnemen. Ik belde Branda: ‘Je kunt gerust hierheen komen. De bloemen houden zich muisstil.’ De omroepman raadpleegde zijn papieren: ‘Een concert van cicaden met pootjes van mica, staat hier.’ Hij wees op de uitstalling van boeketten, die al lagen te verflensen in de brandende zon. ‘Die zouden daar dan in moeten zitten.’

Ik liet hem op mijn smartphone de geluidsopname van 24 juli 2014 horen. ‘Zo had het hier vanmiddag moeten klinken.’ De technicus luisterde gefascineerd, met ingehouden adem, en zei toen: ‘Het lijkt op het getsjirp van krekels.’ En ik: ‘Wat je hoort, is het uitzetten van cellofaan dat om een heleboel boeketten gewikkeld zat. Ik vond op de een of andere manier dat dit geluid zich directer tot de gestorvenen richtte dan de bloemen zelf… een onaards zangerig geknisper, niet voor de oren van de levenden bestemd…’

Hij nam me de smartphone uit handen, en hield die wat dichter bij zijn hoofd, met een opgestoken vinger om stilte verzoekend. Een idee verlichtte zijn gezicht. ‘Dan zenden we dit toch uit. Ik brei er wel een verhaal omheen. Het wordt schitterend.’

Waar bleef Branda? De radioman ging met zijn apparatuur aan de slag. Ik zei hem dat ik even weg moest. Hij zei: ‘Als u binnen het halfuur maar terugbent… we willen uw commentaar op de band.’

Handtekening A.F.Th. van der Heijden

Het zesenvijftigste deel van dit feuilleton verschijnt maandag 29 augustus op nrc.nl/afth.